grade

De boeuf

Spoken, geesten, weerwolven, heksen... Hakendover en Wulmersum hebben die gekend, als we de verhalen mogen geloven tenminste. Maar bovenal is er de legendarische boeuf. Niemand weet goed wie of wat de boeuf is...

search Lees meer

Landelijk

Hakendover en Wulmersum hebben hun landelijk karakter behouden, ver van het stedelijk geweld. In een uithoek van de beruchte marginale driehoek, bewaart en koestert het dorp zijn eigenheid en uniekheid,  verleden en heden versmelten hier...

search Lees meer

Licht in de duisternis

Verhalen over vreemde en duistere gebeurtenissen,
of gewoon restanten van een oeroud volksgeloof?

Unsplashed background img 2

Spookverhalen uit Hakendover

Weerwolf

Hoeveel mannen is het niet overkomen dat zij, na ietwat te lang te zijn blijven plakken, in een donkere wegel werden besprongen door een of andere nekker of weerwolf, die ze dan een heel eind moesten meedragen. Henri Willems werd aldus op zekere avond tegengehouden door een grote zwarte hond (voorzeker een weerwolf). Toen hij op een andere keer met een kluit aarde naar een kat gooide, veranderde deze terstond in een hond.

"Ik kan er niet aan doen, zei Leonie van Jan Kiek, maar ze bestaan, zo zeker als twee en twee vier is. Mijn vader kwam eens 's avonds laat te voet van Wommersom en aan het pachthof van Mayson sprong er iets op zijn rug dat gromde "Draaag!" Vader voelde harige armen rond zijn nek en harige benen op zijn heupen. Verder werd er geen woord gesproken. Aan het kasteel va Storms sprong het gedrocht van vaders rug en verdween in het bos. Moeder heeft hem verschillende borrels geschonken om hem terug op zijn positieven te krijgen." (Servaes Kinnart, "spoken en weerwolven te Hakendover" in: DDD nr. 13)

Een weerwolf was een man die een pact had gesloten met de duivel en daardoor van tijd tot tijd in een wolf veranderde. Om zulk een pact te doorbreken kon het Sint-Jansevangelie worden aangewend. Dat was zo wat de beste remedie tegen alle vormen van kwaad. De ouderen onder de lezers zullen zich de eerste versregels zonder enige twijfel herinneren als "het laatste evangelie":

In het begin was het Woord
en het Woord was bij God
en het woord was God
Dit was in het begin bij God.
Alles is door Hem geworden
en zonder Hem is niets geworden van
wat geworden is.
In Hem was leven,
en het leven was het licht van de mensen.
En het licht schijnt in de duisternis
maar de duisternis nam het niet aan.
...
En het Woord is vlees geworden
en heeft onder ons gewoond

Verloren zielen

Deze woorden werden door de priester uitgesproken als ergens de  ziel van een afgestorvenen bleef rondwaren (soms was dat wel eens een familielid die met een ketting over de vloer van de zoldering sleepte). Een prachtig maar weinig bekend verhaal over ronddwalende rusteloze zielen is dat van de dodenprocessie van Ramshoven ("Ranshoven" in de volksmond). Honderden jaren geleden was Ramshoven een gehucht, gelegen tussen Hakendover, Meer en Wulmersum (ergens ter hoogte van het vervallen huisje van Kriekemieke). "Volgens Wauters bevonden zich hier een hoeve, een brouwerij en een Sint-Pieterskapel die verdween in de 17e eeuw" (Kempeneers, 17). De bewoners zou volgens sommigen zijn uitgestorven door een pestepidemie. Bij het aanleggen van de verkavelingsbaan zijn  er een aantal geraamtes bovengehaald. De zielen van de afgestorvenen zouden processiegewijs door de velden trekken. In Den Dertienden Dag nr. 13 en 14 publiceerden we een verhaal gebaseerd op dit aloude spookvertelsel.


Heksen

Een ander middel om het Kwaad af te weren was het aanwenden van een relikwie. Als je zo'n "Heiligdom" onder de deurdrempel plaatste, dan kon een heks niet naar binnentreden. In het huis van Suskes aan de Grote Molenweg (thans...) woonde vroeger een heks, "Croes" genaamd.  Het moet een vrouw zijn geweest met heel wat kennis van  kruiden en planten en velen gingen te rade bij haar. Maar het feit dat zij ijs bewaarde in haar kelder was voor de mensen van het dorp toch maar al te vreemd. Het bezorgde haar de naam van heks. haar zoon was jarenlang kapper in de Langestraat te Tienen. Net zoals de weerwolf verkreeg ook de heks haar duistere gaven door een pact te sluiten met de duivel. Zo'n mensen keerden hun rug naar het christendom. Een pastoor kon tijdens een eucharistieviering een heks herkennen. Als hij door een gewijde trouwring naar de aanwezige kerkgangers keek, dan zag hij de heksen met hun rug naar het altaar gekeerd, zitten.

In Bost werd in de jaren '20 een beruchte heks, bijgenaamd Mezet, begraven in ongewijde grond. Anders dan bij een normale begrafenis werd zij niet in een kist, maar in een schoof korenstro begraven! Het doet ons denken aan de vampierenverhalen uit Transsylvanië. In die streken stortte men de kist van een vampier vol met graankorrels. Als het bloeddorstige monster 's nachts uit zijn dodenslaap ontwaakte, zou hij de onweerstaanbare neiging krijgen de graankorrels te beginnen tellen. Aldus kreeg hij niet de kans om voor het ochtendgloren het leven van de stervelingen te verstoren.

Over heksen noteerden wij in de Putstraat het volgende verhaal:

"Vrugger kwampe ter veul leurders. Oep ne zeikeren dag, 't was in de Petstroët, kwamp ter zoeê e vies aat wijf, me goare en zoeë vanalles. Dea mins van dat huis hâ ne klane. Toen da wijf de deur uit weër, zag hem da dea klane zenne kop deksteveure gedroeëit was. Nen tijd ternoë kwamp da wijf terug. Dea mins hâ het oelevuur goeëd oepgestokt en gelek as da wijf binnenkwamp zai hem: "As ge nie makt da da kind zenne kop terug tegoei stoët, dan smijt ich hiëte atsels in hoer gezicht!" Da wijf es dei kamer binnengegoën en toen se buitenkwamp stond dea klâne zenne kop trug nermoël. Se hamme da vramins achternë ne miê truggezien"

In een andere versie aaide de heks het kindje waarna het hoofdhaar van de baby vol vlooien zat.

Mirakel

De macht van God en de heiligen steeds worden ingeroepen als de boerenmensen een of ander onheil overkwam. Zo had Franciscus Roggen, beter bekend als Sissen, twee merrise die maar niet drachtig werden. Hij en Servaes Kinnart trokken met beide merries naar de kapel van den Ossenweg. Servaes bleef buiten bij de paarden. Toen Sissen de kapel binnestapte, hoorde hij een stem die zei: "Ga maar naar huis, uw merries zijn drachtig!" Sissen legde Vaes op te zwijgen over het voorval, uit angst uitgelachen te worden.

Gevaar

Zulke verhalen waren ook een adequaat middel om kinderen op een of ander gevaar te wijzen. In de waterput zat een zwart manneke en dat trok u met een haak naar beneden als ge tefel over de rand van de put leunde. In het koren zat een korenmanneke of korenpater en als die u vastkreeg dan zag men u voorzeker nooit meer terug. 't Zou de eerste nIet zijn.

Spookdieren

Iedereen schrijft aan zijn huisdier wel één of andere eigenaardigheid toe. Vaak beginnen mensen honderduit te vertellen over de uitzonderlijke schranderheid of de bijzondere vaak menselijke begaafdheden van hun huisdier. "Hij moest alleen nog kunnen praten, 't is just ne mens!"Hoe het ook zij, het is een eigenschap van de mens typisch menselijke gedragingen of eigenheden in dieren te willen herkennen.  Dieren hebben de mensen steeds gefascineerd en aan het groot aantal verhalen over spookdieren te horen was dat niet altijd in positieve zin.  
In het Pastoorssteegje (Schoolpad) liep in de vorige eeuw dagelijks een grote witte spookhaas en geen enkele jager slaagde erin hem neer te leggen. Het moet wel een duivel in dierengedaante zijn geweest, want E.H. pastoor Van Aerschodt (pastoor van Hakendover tussen 1840 en 1875) heeft het dier door gebeden "weggezet" of verbannen voor  99 jaar. Deze tijdsduur treffen we ook aan in oude juridische documenten en stemt overeen met "levenslang" of "eeuwig".

In "Volksverhalen uit Belgisch-Limburg" lezen we: "We vermoeden dat de talrijke -honderden!- sagen over spookdierne toegeschrven moeten worden aan een werkelijk gebeurde ontmoeting met loslopende dieren (honden, katten, paarden) of dieren waarop gejaagd werd (hazen). De wurgende duisternis, de lichtgelovigheid..., de alcoholberoezing..., geven vaak aanleiding tot hallucinaties en subjectieve waarnemigen waarbij men het spookdier steeds groter ziet worden..."

Servaes Kinnart vermeldde in zijn bijdrage "Spoken en weerwolven te Hakendover" (DDD 13) een andere ontmoeting met een spookdier.

"Op een avond was Loerre van Stevens, die recht tegenover het kasteel van Rosseeuw woonde, vroeger dan naar gewoonte naar huis gegaan. Hij had een kalf uit de stal gehaald en zich verdoken opgesteld achter een dikke pilaster van de inrit van het kasteel. In de late avond hoorde hij Rist de Beer aankomen, in zijn eigen mopperend en soms hardop lachend, waarschijnlijk om de onnozelheid van die domme boeren. Toen hij op de hoogte kwam van de inrit, gaf Loerre het kalf een flinke duw en het beestje sprong, luid loeiend, voor de voeten van Rist de steenweg over.  In die tijd was er nog niet zoveel verkeer als nu. Rist was als van de hand gods geslagen en het duurde een hele tijd voor hij zich bewoog. Maar dan nam hij een vliegend vertrek en keek soms achterom om te zien of dat kalf, een zwart kalf, hem niet volgde. Was het wel een kalf of was het niet eerder een of andere boze geest, die de gedaante van een kalf had aangenomen? Lange tijd heeft men Rist in de smidse niet meer gezien. Zijn vrouw vertelde later at hij thuis was gekomen zo bleek als een doek en stotterend als een kind. Zijn overtuiging dat er geen weerwolven bestaan, had een flinke deuk gekregen."

Robert Morren, echtgenoot van Stinneke van Suskes, tekende in 1954 uit monde van Mille den Haan , het volgende verhaal op:

Drie veekooplieden uit Hakendover en een 15-jarige jongen die bij hen in dienst was gingen bij nacht naar de dierenmarkt van Sint-Truiden. In de omgeving van "De Hek" zagen ze eensklaps "uit de duisternis een hond opdoemen, zo groot als een klein paard, met twee gloeiende ogen zo groot als ondertassen, en bij het lopen maakte hij een geluid als een dravend paard en uit zijn muil kwamen vlammende dampwolken."


Heksen waren duivelaanbidders

Ook aan sommige mensen worden bijzondere gaven toegeschreven. Voor de middeleeuwer stond het als een paal boven water dat er mensen waren die door de lucht konden vliegen, zich in een dier konden veranderen en bedreven waren in het "Maleficium" d.i. "de Kwade Hand" oftewel (zwarte) magie en toverij. De Kerk sataniseerde toverij d.w.z. zij bracht het in verband met de duivel. Tot lang in onze eeuw  kregen onze catechisten dat nog te leren in de "Mechelse Catechismus": "Tooverij is met de hulp des duivels iets wonderbaars uitwerken." En het eerste gebod verbood "alle afgoderij, superstitie, tooverij, heiligschennis, ketterij en alle ongelovighied, wanhoop en haat tegen God." Heksen werden door de Kerk afgeschilderd als duivelaanbidders met als gekend gevolg: de heksenvervolging (hierover leest u meer in DDD nrs. 9, 11 en 12).

Ook in onze tijd zijn in Hakendover nog gevallen bekend van "de Kwade Hand". Een vrouw  was er van overtuigd dat een heks (uit het dorp!) de "vlek" had gegooid op het oog van haar kind. "Als ik haar vastkrijg, ik maak haar kapot!" In een weide  in het dorp wilde niks meer groeien. Een familielid van de eigenaar schreef dit toe aan een heks die daar voor een paar honderd jaar zou hebben verbleven. Ook heel wat leed dat de familie overkwam, werd toegeschreven aan de duistere invloed van de heks. Toen men er een huis begon te bouwen besproeide hij de grond met wijwater.

Wie weet, in "Magisch en mysterieus Hageland" citeert Valeer Wouters een verhaal uit de onuitgegeven verhandeling van V. Michiels - Lecock over de sagenschat van de dorpen rond Tienen. Het bedoelde verhaal werd in 1973 in Goetsenhoven opgetekend en handelt over een heksensabbat te Wulmersum.

In de dertiger jaren werd te Hakendover, zo lezen we in "Folklore Brabançon" (1934), door ouderen gewag gemaakt van éne Carolincke Strook, een heks die zowel de jongeren als de ouderen schrik aanjoeg. H. de Leenheer die het verhaal optekende, schrijft echter dat niemand hem precieze feiten wist mee te delen.

Over "keizer en Emanuel", in Hakendover alom bekend, doet het volgende verhaal de ronde: "Keizer en Emanuel hadden een nieuw paard gekocht. De eerste keer dat ze het dier inspanden was Emanuel ("de stoemmerik," zei Keizer) er niet mee langs de kerk gepasseerd, maar er onmiddellijk mee langs het begijnhof naar Wulmersum gegaan. Daardoor was het paard -zo zei Keizer- behekst."

In Halle-Booienhoven wilde een paard om onbekende redenen het veld niet opgaan tot een vrouw, die in het dorp bekend stond als een heks, het paard bij de teugels vatte en het zonder problemen de akker opleidde. "Gelle kint doë niks van," zei de heks.


De duivel aan het werk

In moderne sagen is de duivel vaak zelf -en dus rechtstreeks- aan het werk. Uit de mond van een Landenaar vernamen we in 1984 het volgende verhaal: "Mijn tante had altijd veel hoofdpijn. Ze was bij veel specialisten geweest, maar geen enkele kon de oorzaak vinden of de pijn wegnemen. Men stuurde haar naar een man die in Pellenberg aan het ziekenhuis verbonden is en belast is met de problemen die de dokters niet kunnen oplossen. Die man raadde haar aan haar oorkussen te verbranden, wat ze dan ook gedaan heeft. De vlammen kwamen echter steeds dichter, hoe meer ze ook achteruit ging. In de vlammen zag ze het gelaat van Satan. Van het kussen restten er nog twee stenen die ze moest openbreken. In de stenen zaten wormen..." (J.M., Landen 1984) Een gelijkaardig verhaal hoorden we in Hakendover. In die versie schoot er iets donkers weg uit de vlammen (G.V., Putstraat). Volgens Prof.dr. A. Roeck komt het motief van het "oorkussen" enkel voor in de streek van Landen (en Tienen) en hoort het thuis bij de moderne sagen.


De "Neckerjagen"

De onbekende natuurelementen (water, vuur, aarde en lucht) boezemden de primitieve volksmensen angst in. Wie zich vermetel gedroeg, kon een vijandige reactie verwachten van de water-, lucht-, of vuurgeesten (Elementargeist"). In de vijvers van de Grijpen huisde in 1548 een "waternekker", die men "op slag van middernacht in de vijver hoorde "boddelen en spartelen"." ("nekker" komt van het Indogermaanse "nigw" wat wassen betekent) Het feit dat men in het verhaal ook spreekt van een "waterduivel" wijst weer op de satanisering door de Kerk. Volgens de annalen van Tienen had deze "duivel" de macht om mensen in de vijver te lokken. Enkel op de maandag van Tienenkermis lukte hem dat niet. Op die dag trok een stoet o.l.v. ee hoofdman, "paus" genaamd (= symbool van de macht van de Kerk) van op de markt naar de Grijpen. Daar gekomen sloeg deze paus driemaal kruisgewijs (!) met een staf in het water, waardoor de waterduivel 3 x 7 dagen zijn macht verloor. Volgens één versie van het verhaal werd de stoet in twee kampen verdeeld waarna er om een houten bal werd gespeeld. Tijdens dit spel trachtte men zoveel mogelijk tegenspelers in het water te drijven. Uit het winnende kamp werd de "paus" voor het daaropvolgende jaar gekozen. Vele inwoners van Wulmersum, Oplinter en Heylissem zouden aan dit eerte "voetbalspel" hebben deelgenomen.

Verloor het dorp zijn landelijk karakter?

De oorsprong van het dorp met het gehucht Wulmersum reikt zeker terug tot in de eerste eeuwen van onze jaartelling, daar het dorp gelegen is op de Romeinse weg Tongeren - Asse en het gehucht Wulmersum op het diverticulum Tienen - Orp-le-Grand. In het noordoosten, te paard op de grens van het dorp Wommersom, strekken zich de gebouwen en de akkers uit van drie grote hoeven: Bosschellen, Kruisbeemd en Beens. Het eigenlijke dorp strekt zich uit rond de kerk en gedeeltelijk langsheen de steenweg Tienen - Luik.

Wulmersum

Het gehucht Wulmersum verloor zijn zelfstandig karakter omstreeks het midden van de 19e eeuw. Er bevond zich een kerk toegewijd aan Sint-Denijs (Sint-Dionysius). Deze kerk werd afgebroken ca. 1840 voor de aanleg van de spoorweg Tienen - Luik. In februari 1959 legde Alfons Roukaerts in de boomgaard van zijn eigendom te Wulmersum, bij het vellen van een oude notelaar, een geraamte bloot op een twintigtal meter van de spoorweg, wat er dus op wijst dat het kerkhof omheen de kerk zich werkelijk onder de spoorlijn bevindt. Door de betere weg hebben de inwoners van Wulmersum in vroger tijd steeds meer betrekkingen onderhouden met de tiense voorstad grimde dan met het dorp Hakendover.

Bebouwing

In 1930 stond er geen enkel huis tussen het station van Grimde en de grens Tienen - Hakendover. Verder, vanaf het kasteel Storms tot aan de grens van het (vroegere Luikerdorp) Overhespen, stond slechts één met stro gedekt lemen gebouw, de landelijke herberg bewoond door een zekere Respen (op het kruispunt van de Sint-Truidensesteenweg en de Keienpoelweg). In de volksmond noemde de straat nog lange tijd de Respesestraat. In de laatste jaren nam de bebouwing langs de steenweg Tienen - Stint-Truiden zodanig toe dat vanaf het kasteel Storms tot aan de grens Overhespen nu benzinestations, garages, een meubelwinkel en een zestigtal villa's staan. Vanaf het vroegere station van grimde is de weg zonder overgang volgebouwd.

Landbouw

Zoals in andere dorpen waren tot in de tweede wereldoorlog de meeste inwoners landbouwers of half landbouwer - fabriekswerker. De meeste boeren bebouwden een hoeve van 5 tot 20 hectare. Hierop volgde een groot gedeelte met een hoevetje van minder dan 5 ha, waar ze slechts met moeite het nodige konden op winnen om zich te handhaven; bijkomende inkomsten werden gezocht in campagnewerk in de suikerfabriek te Tienen. De jongeren vonden hun weg, via het vakonderwijs, naar de industrie en vergenoegden zich met de acht uur werk daags. telkens er een van de kleine boerkens stierf, was er niemand om in de ongunstige voorwaarden verder te boeren, zodanig dat in de vijftiger jaren op een bevolking van 1300 inwoners er ongeveer een dertigtal landbouwersgezinnen overbleven. De overigen werden arbeiders of bedienden te Tienen of gestimuleerd door het gemakkelijk verkeer, te Leuven, Brussel en zelfs Luik.

De gevestigde landbouwersschaften zich onder impuls van het landbouwonderwijs alle moderne machines aan. Paarden moesten de plaats ruimen voor tractors en de twee hoefsmeden moesten overschakelen naar het onderhoud van landbouwmachines en de verkoop van elektrische huishoudtoestellen.

Brood

Hoe was het leven van de dorpelingen ingericht? Terwijl in vroeger tijd ieder huisgezin zijn eigen brood bakte, bleven er in 1960 geen tien huisgezinnen mer over waar dit nog gebeurde. Daar waar men nog over een oven beschikte, diende hij enkel nog voor het bakken van de kermisvlaaien. Bij schade aan het inwendige van de oven vond men geen enkele gespecialiseerde vakman meer voor het herstellen en moest men een beroep doen op de eerste de beste metsersgast.

Over het bakken in de oven valt heel wat te vertellen. Op "Suskes hoeve" zag ik de oven gebruiken omstreeks 1935. Het bakhuis bevond zich in een afzonderlijk gebouwtje, het klaarmaken van het deeg gebeurde binnenshuis, in de keuken, waar de "moule" stond die tevens dienst deed als tafelblad. Bij 't bakken werd het "tafelblad" afgenomen en achteraf werden hierop de klaargemaakte deegbroden naar het bakhuis overgebracht.

Voor het stoken gebruikte men sleenhout in "hetsels" (bussels) gebonden. Alle hout was goed, men stookte soms zelfs aardappelloof. Als de oven goed heet was, trok men met de ovenhaak de "ovenas" of krikke" uit de oven en smeet ze in het gat onder de oven (zie hieronder). Het "inschieten" van de broden, het deeg rechtstreeks op de ovenvloer, gebeurde met en stok waaraan een cirkelvormige metalen plaat zat, die men de "zwaai" noemde. Na het bakken werden de broden eveneens met de zwaai uitgehaald. De broden werden van korenmeel gebakken met de bloem zoals ze van de molen kwam. Men bakte eveneens enkele witte broden van "uitgetemste" gezeefde tarwebloem. Dan sprak men niet van een "brood", maar van een "mik". de pan waarin ze gebakken werd, noemde men de "mikkepan". Van de mik kreeg elkeen dagelijks een boterham bij de ochtendmaaltijd. Bij grote gelegenheden bakte men een "korintemik", in het deeg werden krenten, rozijnen, vet en kandijsuiker verwerkt.

Elk brood of mik werd, voor het de oven inging, bestreken met koffievocht om een glanzend oppervlak te bekomen. Dit noemde men het "zalven". Over het eerste brood dat de oven inging maakte de boerin een kruisteken. Bij het bewerken van het deeg en om het "gang te doen krijgen" gebruikte men "eisem" ("desem"), voor de mik nam men gist. Desem bekwam men door een overgebleven stukje deeg te bewerken met "rinsel". Rinsel was een stremmende afscheiding uit de maag van pas geslachte "nuchtere kalveren", dat men te Tienen bij een beenhouwer ging halen, die het verkochtin afgebonden stukjes darm. Datzelfde stremsel gebruikte men eveneens om melkkaas of botermelkkaas te zetten. In de kermistijd bakte men met de botermelkkaas de in onze streken zo bekende "keesvlaaien". Een stuk uitgerold deeg in een lage pan werd gevuld met een dikke laag "spijs" gemaakt van botermelkkaas, zaan (room), suiker en eieren. Bij het bakken werd de ovenmond afgesloten met een metalen deksel. In 1930 zag ik de oven nog sluiten met een houten deksel waarop voor het bakken een dikke laag klei werd gestreken om het verbranden te voorkomen. Bij de gegoede boeren bakte men voor de "petatterapers" in het rooiseizoen "broektessen" als middageten op het veld. Dit waren ronde stukken deeg van witte bloem, uitgerold tot ongeveer 15 cm doormeter. Op de ene helft werd wat appelspijs of appelschijfjes gelegd. Daarna vouwde men het geheel dicht waarbij de twee boorden met de duim in "puttekens" werden aangeduwd.

Daar men brood bakte voor een ganse week kon het gebeuren dat men voor de bakdag "bekort" was. dan ging men bij de buurman een brood lenen. Met een lint werd de omtrerk van het brood afgemeten, want als men achteraf een ander brood terugbracht moest dit aan de afmetingen van het lint beantwoorden.In verband met het bakken ontstonden er verscheidene gezegdes. Het laatst geboren kind van de familie noemde men "het krabseling van de moel". Bij boeren bestond de gewoonte voor het aansnijden van het brood met een mes een kruisteken te maken over de onderkant. Een goed gedeelte van de "krikke" of de "ovenas"werd in een oud laken gelegd boven een kuip. Daarover goot men water en achteraf zette men in de kuip de was te weken. Het vuil kwam gemakkelijker los en men moest minder zeep gebruiken. Bij "het keren van de jaren" was niets zo goed als het nemen van voetbaden in water waarin verpulverde ovenas was vermengd. Als men aardappelen plantte, vermengde men "ovenas" en "kiekenmest" en daarvan zette men in elk kuiltje een "prieske". Heden koopt vrijwel iedereen bakkersbrood omdat men iedere dag vers brood aan huis besteld krijgt.

Veekoopster

Bij de aanvang van deze eeuw bestond er in het dorp nog volgende gewoonte: Lange Marie was een veekoopster die op markten en bij de boeren koeien opkocht, deze liet "vèren" (dekken) en ze dan uitplaatste bij arme lieden die deze dieren dan voederden en de melk aks vergoeding mochten behouden; als het dier "droog stond", dus uitgemolken, kwam de eigenares het terug ophalen om het als drachtige koe te verkopen.

Veevoeder

De vrouwen en dochters van de kleine koeboertjesof van de boerenarbeiders trokken iedere dag naar het veld als "voeierpluksters", gerwapend met een reuzezak en een sikkel gingen ze allerhande gras en groen snijden om thuis de koe, de geit, de "lemmes" (schapen) of koniijnen te voederen. Dat ze het hierbij niet altijd al te nauw namen met het mijn en het dijn en gemakkelijk aan de "klaveren gingen zitten" is begrijpelijk. De boer sprak dan ook minachtend van de "voeierwijve". Als de zak vol was, droegen ze hem in evenwicht op het hoofd huiswaarts. Dezelfde vrouwen gingen ook in de oogsttijd "baaien", dit is, na het inhalen van de oogst, de achtergebleven graanhalmen inzamelen.

Als verwittigingsteken dat het stuk land niet mocht betreden worden stak de boer een "mei" in de grond. Dat was een stok met aan het boveneinde een bosje stro. Voor de kinderen was er eveneens werk genoeg na schooltijd en zelfs onder deschooluren, want schoollopen was toen puur tijdverlies. De meisjes deden twee werken tegelijk: ze moesten de koeien gaan "huën" (hoeden) langs de grachten en bermen en intussen konden zij kousen breien. dat dit hoeden geen jongenswerk was, is verstaanbaar; jonge knapen lieten al te gemakkelijk hun koe in de steek om lustig te ravotten, tot een boer de koe uit zijn klaveren moest halen en kwam "opspelen" voor de aangerichte schade.

Een andere vrouwelijke bezigheid, nu eveneens verdwenen en die in onze streek een geweldige populariteit kende, is het "bietebloare" of het afplukken van de geelgeworden bladeren aan voeder- of suikerbieten. De afgeplukte bladeren werden met een vooraf klaargemaakte stroband in bussels gebonden en als bijkomend stalvoeder aan de koeien voorgezet. Dit was niet alleen het geval bij de kleine boeren, maar ook de anderen zagen hierin een welkome aanvulling van hun voederstapel.

Duvelen

Er is nu in het dorp geen enkele boer die nog met de "vleuger" dorst, de jonge mannen kunnen het zelfs niet meer. Alles gaat nu (anno 1960, NVDR) door de mechanische dorsmachine. Voor een dertigtal jaren waren het slechts de grote boeren die door een rondreizende stoomlokomobiel hun ogst lieten uitdorsen. Dergelijk rokend en puffend tuig noemde men een "dosduvel" en heden, alhoewel elektrisch aangedreven, spreekt men nooit van uitdorsen , wel van "uitduvelen" en "no den duvel goën", wat wil zeggen dat de boeren elkanderwederzijds helpen bij het dorsen en dit met gesloten beurs (NVDR: Thans gebeurt uiteraard alles met een maaidorser.)

Er is te Hakendover wel een Molenweg (Meulebaantje) maar er was nooit een molen in het dorp, daar de inwoners "ten eeuwigen dage hun graan moesten laten malen in de hertogelijke molen van Eliksem". Om de moeilijke holle wegen naar Eliksem te vermijden gingen de inwoners met hun zak graan op een kruiwagen langs een zelfgebaand pad doorheen de velden naar de molen. Dit wegeltje, nu reeds meer dan honderd jaar buiten gebruik als molenweg, draagt nog steeds die benaming. Voor een tachtigtal jaren lieten ze hun graan malen te Grimde in de Bookmolen (verdwenen) of te Tienen in de Roosmolen (verdwenen).

Nu verkopen de boeren hun graan en kunnen voor veevoeder terecht bij een "droge maalder" op het dorp. Om klaverzaad te laten zuiveren gaan ze nog steeds naar een van ouds gekende watermolen op de Gete te Utsenaken onder Oplinter.


Vogelschrik

Wat eveneens uit het landschap begint te verdwijnen zijn vogelschrikken op de vers bezaaide velden; ten onrechte, want de vogels hebben zich er nooit erg aan gestoord! Nochtans was het stellen van een vogelschrik, naar mijn bescheiden mening, een soort van rituele handeling. De boer stelde dat spookachtig wezen wel op om de vogels te verschrikken maar tegelijk schiep hij een hallucinante verschijning, identiek met de beelden die zijn geesteswereld bevolkten wanneer hij in de winter langs donkere paden onderweg was en bij het ontwaren van grillig gevormde bomen of struiken, zijn hart sneller voelde kloppen: een of andere boze geest kon er op de loer liggen.... Wie de gelegenheid heeft enkele van de Haspengouwse landschappen van de Tiense schilder Armand Knaepen te bewonderen, schilderijen of tekeningen waarop vogelschrikken zijn afgebeeld, zal moeten toegeven dat de kunstenaar eveneens onze stelling aankleefde.

Het verdwijnen van de vogelschrikken is waarschijnlijk te wijten aan de invloed van het onderwijs, aan de toenemende welstand van de boeren die enkele zaadjes of plantjes graag aan de vogels gunnen en aan de hedendaagse verlichting langs de buitenwegen, feiten waardoor de de geest geen gelegenheid meer geschonken wordt om zulke spookachtige verschijningen te combineren. Wat men af en toe nog kan zien, zijn enkele wissen waaraan krakende witte papieren gebonden zijn en die de mussen moeten weghouden van een pas bezaaid stuk erwten. Of ook, maar dan is het zeker een vrekkige boer, in de kersenboom naast het huis, een bel die men van binnen kan bewegen, als de mussen het al te bont maken.


Bijgeloof

Dat de boer er ook zonderlinge meningen kan op nahouden? Het gebeurde soms dat bij het afsterven van de laatste der ouders, de inwonende zoon het niet altijd volkomen eerlijk schikte, ondanks de gedane belofte bij het sterfbed. Wat hij echter niet zou nagelaten hebben, was het volbrengen van de beloofde beewegen. Maar dan kon het ook gebeuren dat hij op weg naar Scherpenheuvel onderweg "bezwaard" werd door de afgestorvene, zodat hij slechts met de grootste krachtinspanning zijn doel kon bereiken. Een eigen familielid uit Wulmersum, nu reedss meer dan twintig jaar overleden, had van zijn vader een goede manier geleerdom onderweg niet bezwaard te worden. Voor hij zijn huis verliet voor een beeweg plaatste hij naast de ingangsdeur een mispelaren wandelstok of een paraplu, opende dan wagenwijd de voordeur en sprak luidop de volgende woorden "gaat maar voorop, ik zal u volgen".

Een bijgelovige angst heeft lang op de mensen gedrukt. een voorbeeld nog: mijn eigen schoonvader, veekoopman uit Hakendover, had er een heilige schrik van als hij naar de markt vertrok als eerste menselijke ontmoeting een vrouw tegen te komen, want dat was telkens een slechte marktdag.


Gilde

Dat het verenigingsleven ook een ferme deuk heeft gekregen is natuurlijk ook een feit. Er bestaat in het dorp wel een eeuwenoude Sint-Sebastiaansgilde, waarvan de werkzaamheden bestaan uit een driejaarlijkse koningsschieting op een voor die gelegenheid opgerichte wip, het medegaan, met vlag en koningsbraak, in de processie en enkele keren per jaar het afdrinken van een vat bier. De weinig talrijke leden zijn allen boeren, geen enkel fabrieksarbeider maakt er deel van uit.

Herberg

De dorpsbewoners brengen hun zondag door in een paar herbergen, met kaartspel of met het schieten op een doel in een overdekte schietbaan aan de voet van de lange kerktrappen. De enkele oudere boeren die langs de steenweg wonen, komen in het dorp hun kaartje trekken of een babbeltje doen bij een der andere boeren.

Boeuf

Er is eveneens een toneelvereniging in het dorp, nl. "De Korenbloem", die op een zestigjarig bestaan kan bogen, maar in de laatste jaren is hier ook een achteruitboeren waar te nemen. Voorbij is de tijd toen ze, na de jaarlijkse smulpartij, konden tonen dat ze werkelijk wat afwisten van komediespelen. Het gebeurde soms dat de een of andere vreemde jongen die in het dorp kwam vrijen er zich trachtte in te burgeren door lid te worden van de toneelmaatschappij. Na het eten en bij het drinken van menig glas bier was redan wel een die het gesprek op waaghalzerij of durf bracht, tot er tenslotte iemand voorstelde van nog diezelfde avond "den boeuf te gaan jagen" op de Ezemaalseberg.

Allen stemden daarmee in ook de nieuweling die niet wilde onderdoen, alhoewel hij niet wist wat "den boeuf jagen" betekende. Men vertrok dan met twintig tot dertig man langs de holle Ezemaalsestraat tot boven op de helling. Daar trok men dan van de gebaande weg het open veld in en de nieuweling, omdat hij aan het opjagen niet gewend was, kreeg de taak van met de medegebrachte schoven stro een hoog oplaaiend aan te leggen en te onderhouden. Intussen gingen de anderen zich in een kring verspreiden om "den boeuf" naar het vuur op te jagen. Zoals dan afgesproken stookte onze man het vuur goed op en de anderen verdwenen in de duisternis en begonnen wat later te roepen en te tieren. Na enkele minuten trokken de jagers die de omgeving goed kenden fluks naar het dorp terug en lieten de stoker aan zijn lot over. Wanneer deze nu vaststelde dat er niets meer te zien of te horen was, gaf hij er zich rekenschap van dat hij "den boeuf" was. Wanneer hij er dan ook van onder wilde trekken met een bang hart, kon hij zijn weg niet meer terug vinden, verblind door het staren in het vuur, onbekend met de omgeving en zonder oriëntatie: er was toen nergens straatverlichting. Zo doolde hij soms uren rond in de nacht om dan nog in en vreemd dorp aan te landen....

Bron

Tot 1960 was er in het dorp geen enkele steenweg; nu is men begonnen met de heraanleg, in een brede betonbaan, van de verbindingsweg met Wulmersum. Een smal voetwegeltje vanaf de bron wordt een nieuwe verbindingsweg van het dorp met de steenweg naar Luik. Voor de bron bevond zich een achtkantig waterbekken speciaal aangelegd om indompelingsbaden mogelijk te maken voor de bedevaarders, alhoewel er nooit gebruik werd van gemaakt, maakte het toch deel uit van het vertrouwde dorpsbeeld. Dit bekken moet nu verdwijnen om de aanleg van de nieuwe betonbaan mogelijk te maken. Bij de grote Paasbedevaart zaten omheen dit bekken de verkopers van het mirakuleuze water, maar de prijs die men betaalde was slechts de kostprijs van de fles, het water kreeg men gratis. Zal deze geplogenheid nog kunnen stand houden, nu de bijzonderste toegang naar de kerk en tevens het vertrekpunt van het Dertienmaal in een moderne verkeersweg gaat herschapen worden?

Gewijde aarde

Zoals voor het water van de bron kon men ook op het kerkhof terecht bij grafmaker die u tegen een foi een papieren zakje bezorgde, gevuld met gewijde aarde, dat vermengd was met het zaaigoed, alle kwalen der gewassen bestrijdt. Ook kleine kleuters die al spelend soms een stukje aarde in de mond steken, kan men van hun ziekte genezen door hun deze gezegende aarde voor te zetten.

Bedevaart

Voorheen was de grote Paasmaandag-bedevaart een welkome bron van inkomsten voor de inwoners. de honderden Hollandse bedevaarders uit de streek van Breda en 's Hertogenbosch, die op zondagnamiddag toekwamen, zochten evenwel ,ooit nachtverblijf in Hakendover. Het lag niet in de wantrouwige aard van de boeren om veel vreemde mensen op hun hof te laten overnachten en bij de kleine boeren was er niet voldoende plaats. Daarom bespraken deze vreemdelingen en ook de Kempenaars uit de streek van Turnhout hun slaapgelegenheid te Tienen, waar ze met tien, twintig tegelijk op strozakken overnachtten. Die stijfgewerkte heiboerkens werden door de Tiense straatjeugd bij hun doortocht nageroepen "Kèmpenés, Koekebakkoek, nemt de bessem en slaagt er oep" of "Kempener gebakke peer, uitgedroogde tovereer"...

In elke woning wordt een speciaal patent aangevraagd om gedurende de zondag en de maandag te mogen biertappen; natuurlijk wordt ook overal koffie gezet en worden fietsen op bewaakte plaatsen achtergelaten. De karweien nodig voor het welslagen van de bedevaart werden en worden door de dorplingen uitgevoerd: ieder jaar dezelfden voor hetzelfde werk, bv. het aanvoeren en weghalen van het altaar naar de top het Tiensveld; de dragers van de verschillende beelden, enz. Al deze mensen krijgen vanwege de pastoor een flinke fooi. Maar practisch is er niet te veel te dragen na het vertrek van de processie uit de kerk naar de Tiense heuvel, waar de zegening geschiedt, want al die Kempische en Hollandse bedevaarders betwisten het voorrecht om even hun schouder te mogen zetten onder het beeld van de Zaligmaker of de Moeder Gods.

De voerder van het altaar weet het dusdanig te schikken dat zijn ledige wagen in de buurt blijft staan. hierop nemen, tegen een paar franken drinkgeld, téal van kijklustigen plaats om van hieruit de aantocht te zien van de kleurijke processie en de paardenren omheen de massa, die begint van zohaast de stoet de gebaande wegen verlaten heeft. Ook na de zegen met het Allerheiligste zijn de eindjes kaars een bron van inkomsten voor de voerder die als eerste het altaar betreedt na het vertrek van de priesters.

De aloude geplogenheden van de processie worden nog steeds in ere gehouden, maar vroeger waren de ruiters de boeren uit het dorp, nu zijn ergeen paarden meer en is het een aangeworven riuterclub uit de omtrek. Het aantal bedevaarders is nog steeds ontzaglijk, maar de meeste vreemdelingen komen nu slechts op maandagmorgen toe en zohaast de zegen is gegeven verdwijnen ze terug zoals ze gekomen zijn, zelfs zonder iets te verteren in het dorp. Het zijn slechts de jonge mensen uit de omtrek, Walen en Vlamingen van in een kring van ongeveer 15 kilometer die tot laat in de avond in het dorp blijven om er kermis te vieren, die pas beingt als de processie binnen de kerk is.

De dorpelingen zelf die op zondag en maandag niet weg konden omdat ze binneshuis voor de vreemdelingen moesten zorgen, vieren steeds op dinsdag kermisdag met optocht van de muziek en met herbergbezoek.

Hiermee besluit ik deze bijdrage over Hakendover met de hoop dat het meegedeelde een blijvende getuigenis moge zijn van vele volkse gebruiken die reeds geheel verdwenen zijn,

De laatste boeufjacht

Servaes Kinnart

’t Gebeurde in de tijd toen de mensen nog op de buiten me- kaar na hun dagtaak opzochten om samen onder een lom- merrijke boom of aan de poort van de één of andere hoeve de lange zomeravonden gezellig door te brengen. Het was een talrijke bende die bij ons thuis aan de poort haar dagelijkse zitting hield. Wij telden soms wel dertig man. Die van Suskes, van nonkel Jan, van Maurus, van Jukke van Nies, wij zelf en nog anderen! TV’s bestonden nog niet. Radio’s en kranten - misschien een stuk of vier in een gans dorp - waren zeldzaam. Wij waren al tevreden met de mededelingen die Tiske, onze veldwachter, ‘s zondags na de vroegmis ten gehore bracht.

Wat er verder in het dorp voorviel, zou dan wel ‘s avonds in geuren en kleuren worden verteld. En inderdaad! Gebeur- tenissen uit lang vervlogen tijden werden opgerakeld. Die vertellingen waren voor de jongeren onder ons de eerste les- sen in onze dorpsgeschiedenis. Met heimwee denk ik soms terug aan die avondlijke bijeenkomsten, die niemand van ons voor geen geld ter wereld had willen missen.

Op een van die avonden was ook onze nieuwe organist, een man uit Tienen, na een late kerkdienst blijven plakken. Hij was zodanig onder de betovering gekomen van de avond- stemming, dat hij als stedeling de wens uitsprak de buiten- mens wat beter te leren kenen. Daartoe werd hem de gelegen- heid geboden toen de Keizer van Suskes de vraag stelde of een van de aanwezigen ooit een ‘jacht op de boeuf’ had mee- gemaakt.

De oudsten onder ons konden hun glimlach moeilijk ver- bergen, maar hielden wijselijk hun mond. Onze organist, die nog nooit van ‘de boeuf jagen’ had gehoord, kon zijn nieuws- gierigheid niet bedwingen en vroeg om uitleg.

‘Dat is een moeilijke vraag, vriend’, zei de keizer met het ernstigste gezicht van de wereld, ‘nooit heeft iemand de boeuf van dichtbij gezien. Hij schuwt het daglicht als de pest en als hij zich op pad begeeft, is dat veelal op donkere nachten. Is het een mens, is het een dier, een spook of een geest? Ik weet het niet!’ En als de keizer, dé specialist inzake spoken en weerwolven, het niet wist, wie kon het dan wel weten? Een onbehaaglijk gevoel kwam over de aanwezigen.

‘Maar’, zo ging keizer onmiddellijk voort, ‘ik heb nog nooit gehoord dat hij mensen heeft lastig gevallen. Op een zondag- avond kwamen mijn kameraad en ik tamelijk laat van de kermis in Eliksem. Op zeker ogenblik zagen wij een gedaante die zich, toen wij naderbij kwamen, vliegensvlug uit de voeten maakte en zich verder in het veld terugtrok. Was het de ‘boeuf’, die zelf bevreesd was om gezien en herkend te wor- den? Hoogstwaarschijnlijk, maar in ieder geval, niemand had hem graag in de buurt. Daarom was ook iedereen geneigd om hem op te jagen en te verdrijven.’

De zomer ging voorbij, het graan was binnengehaald. De avonden werden langer, de nachten donker, de ideale om- standigheden voor de ‘boeuf’ om zijn nachtelijke omzwer- vingen te houden.

Maar de avondlijke bijeenkomsten gingen door zolang het weer zacht en draaglijk bleef. Tot op een avond dat de keizer, later dan naar gewoonte en buiten adem, in de kring verscheen om hijgend mee te delen dat, naar zijn gevoel, de boeuf opnieuw in het Eliksemveld verschenen was. ‘Ik voelde het al enkele dagen in mijn knoken dat er iets abnormaals gebeurde’, zei de keizer. ‘Ge hebt het misschien ook al gezien dat er thuis wat hoger in ‘t veld een mijt oud stro is blijven liggen. Wel, op een avond, toen ik nog een kleine ronde deed, keek ik toevallig die kant op en zag in het halfduister een don- kere gedaante uit het stro opstaan. Ik vond dat eigenaardig en, ja hoor! De volgende avonden zag ik hetzelfde tafereel. Nu ben ik er zeker van overtuigd dat de ‘boeuf’ opnieuw present is.’

‘Doch deze keer moet hij eraan geloven, hij moet weg uit deze streek en voor altijd. Wie doet er mee?’
Allemaal! Zelfs onze organist was bereid.
‘Luister dan goed wat wij gaan doen’, zei keizer. ‘Voorziet u allemaal van een goede stok om hem een geduchte rammeling te geven, die hem de lust zal ontnemen nog ooit terug te keren. Wij zullen in alle stilte de mijt omsingelen en een onderlinge afstand van enkele meters in acht nemen. Ik zelf zal trachten de mijt op verschillende plaatsen in brand te steken. Maak vooral geen lawaai! Niet in het minste, of alles is vergeefs!’ In alle stilte vertrokken we. Er werd zelfs niet meer gefluis- terd. Een kerkuil, die traag in het maanlicht voorbijvloog, benadrukte door zijn langgerekte ‘Psst, Psst!’ de noodzaak van absolute stilte. De posities werden ingenomen. Er volgde een tijd van zenuwachtig wachten. Plots laaiden de vlammen op en keizer brulde uit volle borst: ‘Ik zie hem, ik zie hem! Langs hier! Langs hier! Hij gaat er dedjuu nog van door!’

De hele bende dook vlug de donkere avond in. Alleen de man van Tienen was waarschijnlijk zodanig verbouwereerd of verblind door de hoog oplaaiende vlammen, dat hij niet meer wist welke kant hij moest kiezen. Roepen hielp niet, geen mens scheen hem te horen. Urenlang heeft de arme man in het veld rondgezworven tot eindelijk de morgenklaarte en de kerktoren van Hakendover hem de goede richting wezen.

Later, veel later, gaf hij nederig toe dat de boeren van Ha- kendover hem lelijk hadden beetgenomen. Maar van de boeuf is er sedertdien ook geen spoor meer gevonden.

Spoken en weerwolven te Hakendover

Servaes Kinnart

Het ging er soms nogal heftig aan toe op die zomeravonden, nu reeds jaren geleden, toen wij en onze buren naar dagelijkse gewoonte samen voor de poort zaten en de gebeurtenissen van de dag bespraken.

‘’t Schijnt dat het gespookt heeft op het kerkhof’, zei de Dikke van Louis van Lammes. Algemene stilte, grote ogen en gespannen verwachting! Wat de Dikke niet zei, was dat hij en Mille van Pachtes zich op een avond achter een grafsteen op het kerkhof hadden verborgen in afwachting dat Tis van Tisses daar voorbij zou komen. Tis had de gewoonte om de weg te korten steeds over het kerkhof te lopen om naar huis te gaan. Enige dagen voordien was de nonkel van Tis begraven. Toen hij eindelijk verscheen, meende hij een smartelijk gekreun te horen aan zijn nonkels graf. Hij stopte als gepara- lyseerd en keek gespannen toe. Opnieuw dat smartelijk ge- kreun en geweeklaag. Als een pijl uit een boog vloog Tis over ‘t kerkhof en een paar minuten later hoorden de twee mannen hoe hij thuis op de poort stampte en huilde om binnengelaten te worden, want ‘het spookte rond nonkels graf’. Naar het schijnt zat de familie er sprakeloos bij toen Tis hijgend en stotterend zijn relaas deed.

‘Jezus, Maria, Jozef, sta ons bij’, zei Trees bleekjes en geschokt.

Enkele jaren geleden hadden zij ook een mysterieuze ge- beurtenis meegemaakt. Op een avond zat de familie, behalve Jef, rond de Leuvense stoof bijeen en bad de rozenkrans. Bo- ven de keuken was de zolder, die vanuit het poorthuis met een ladder te bereiken was. Trees bad voor. Op zeker ogenblik hoorden ze alleen een geheimzinnig ge- rucht op zolder als van iemand die met een zware keten be- laden ronddoolde.

‘Stil! Ik hoor iets’, zei Fien. Ge kunt nu denken hoe aller ogen angstig naar de zoldering keken, maar ...overal stilte. ‘Gij hoort ook altijd iets’, zei Thijs tegen Fien. Nauwelijks was Trees aan een nieuw weesgegroetje begonnen of het ge- rammel van een keten was wederom te horen. ‘Hoort ge het nu, pa, hoort ge het nu’, gilde Fien ontzet. En Thijs voelde zich ook niet meer op zijn gemak. Maar de nonkel, die bij hen inwoonde, verklaarde in een opwelling van heldhaftigheid dat hij meer van het geval wilde weten en beval Trees de kaars aan te steken om met hem de zolder te inspecteren.

‘Neen, nonkel, neen!’, krees Trees ontzet, maar onder de uitdrukkelijke verzekering dat hij haar op de voet zou volgen, stemde zij na lang aandringen toch toe. Met de kaars in de hand en bevend over al haar leden ging Trees trede bij trede de ladder op en vergewiste zich bij ieder trapje dat nonkel haar wel volgde. Toen haar hoofd ongeveer ter hoogte van de zol- dering kwam, greep iets of iemand haar bij het haar. Gillend tuimelde zij van de ladder, gelukkig in de armen van nonkel, om dan samen naast elkaar op de grond te belanden. Het kaarsvlammetje sputterde wat na. Toen een windstoot als van iemand, die een grote sprong deed om zo vlug mogelijk langs het achterpoortje te kunnen verdwijnen, het volledig doofde.

Later heeft men op zolder een koeienketting teruggevonden. Maar van dat ‘iets of iemand’ geen spoor, tot op een zekere dag Jef, die op de bewuste avond afwezig was, zich liet ontvallen dat de zoldering bij hem thuis niet erg hoog was en dat hij ver- schillende keren naar beneden was gesprongen zonder de lad- der te gebruiken.

In ieder geval, ik heb nooit geweten dat de ongelovigen de gelovigen hebben kunnen overtuigen in het al dan niet be- staan van weerwolven en spoken. De laatsten waren in hun geloof hardnekkiger dan de eerstgenoemden.

Ha, dat bestond niet? Neem dan eens het geval van Rist de Beer. Die woonde in Grimde, en als alle stedelingen had hij over de eenvoudige dorpelingen maar een pover gedacht. Dat belette hem echter niet bijna dagelijks naar Hakendover af te zakken om zijn vriend Armand, de smid en tevens cafébaas, te bezoeken. Aan bezoekers in de smidse was er nooit gebrek. Ook onder dezen waren er gelovigen en ongelovigen. Rist maakte hen die geloofden in spoken en weerwolven uit voor onnozelaars. Dat is hem eens slecht bekomen.

Op een avond was Loerre van Stevens, die recht tegenover het kasteel van Rosseeuw woonde, vroeger naar huis gegaan dan gewoonlijk. Hij had een kalf uit de stal gehaald en zich verdoken opgesteld achter een dikke pilaster van de inrit van het kasteel. In de late avond hoorde hij Rist de Beer aan- komen, in zijn eigen mopperend en soms hardop lachend, waarschijnlijk om de onnozelheid van die domme boeren. Toen hij op de hoogte kwam van de inrit, gaf Loerre het kalf een flinke duw en het beestje sprong, luid loeiend voor de voeten van Rist, de steenweg over. In die tijd was er nog niet zoveel verkeer als nu. Rist was als van de hand gods geslagen en het duurde een hele tijd voor hij zich bewoog. Maar dan nam hij een vliegend vertrek en keek soms achterom om te zien of dat kalf, een zwart kalf, hem volgde.

Was dat wel een kalf of was het niet eerder een of andere boze geest, die de gedaante van een kalf had aangenomen ? Lange tijd heeft men Rist in de smidse niet meer gezien. Zijn vrouw vertelde later dat hij thuis was gekomen zo bleek als een doek en stotterend als een kind. Zijn overtuiging als zouden er geen spoken en weerwolven bestaan, had een flinke deuk gekregen.

‘Ik kan er niet aan doen’, zei Leonie van Jan Kiek, ‘maar ze bestaan, zo zeker als twee en twee vier is. Mijn vader kwam eens ‘s avonds laat te voet van Wommersom en aan het pachthof van Mayson sprong er iets op zijn rug en gromde ‘Draag!’.

Vader voelde harige armen rond zijn nek en harige benen op zijn heupen. Verder werd er geen woord gesproken. Aan het kasteel van Storms sprong het gedrocht van vaders rug en verdween in het bos. Moeder heeft hem verschillende borrels geschonken om hem terug op zijn positieven te krijgen. ‘

‘Ha! Ze bestaan niet. En gij nu.’

 

Facebook