grade

Onze-Lieve-Heer der Wittevrouwen

Kies een artikel en klik op de 'lees meer'-knop.


Onze-Lieve-Heer der Wittevrouwen

In de Sint-Germanuskerk hangt in het H.-Kruiskoor het beeld van de gekruisigde, gekleed met een tot de voeten reikende tabbaard. Jaarlijks is er op de drie eerste vrijdagen van de maand maart de begankenis naar het Heilig Kruis. Maar in de loop van het jaar ziet men nu nog regelmatig mensen die onder dit beeld komen kaarsen offeren en bidden voor de oplossing van allerhande problemen.

Wittevrouwen

Vanwaar nu deze benaming der Witte Vrouwen? De Wittevrouwen of Kanunnikessen van Sint-Augustinus hadden van in de 13e eeuw hun klooster of priorij even buiten de Maastrichter binnenpoort. Heden bestaathiervan nog een verbouwde vleugel, mln. het Directiehuis van en tegenover de Suikerraffinaderij. Het bovenvermelde 15e eeuwse beeld werd aldaar vereerd tot bij de opheffing van het klooster en de verkoop ervan in 1800 ten bate van de Franse Republiek.

Het van de verkoop geredde beeld werd in 1802 aan de Sint-Germanuskerk overgedragen waar de devotie tot op heden is blijven voortleven, alhoewel weinigen zich zullen afvragen welke de bedoeling was van de verering van dergelijk gekleed kristusbeeld. Men spreekt nog alleen van het H. Kruis.

Naaktheid

Dergelijke beelden moeten reeds zeer vroeg hun intrede hebben gedaan in Spaanse en Zuid-Franse streken. Reeds in de 6e eeuw verhaalt de grote kerkvader Gregorius van Tours in zijn "de Gloria Martyrium", cap XXIII, dat de Gekruisigde in de stad Narbonne zich beklaagde over zijn naaktheid.

Hij zou zich tot een priester hebben gericht met de volgende woorden:

OMNES VOS OBTECTI VARIIS INDUMENTIS ET ME NUDUM ASPECTIS

VADE ET COOPERI ME VESTIMENTO

VADE, ET TEGE LINTEO PICTURAM ILLAM? IN QUA CRUCIFIXUS APPAREO.

Deze oud-Latijnse tekst tracht ik te vertalen als volgt:

"Allen zijn beschut door verscheidene kleden en zie naar mijn naaktheid. ga en bedek mij met kleden. Ga en bedek op het geschilderde doek, de gekruisigde, daar waar hij verschijnt."

Onze middeleeuwse voorouders, die langs de zuiderse landen ter kruisvaart togen en ook diegenen die als straf of vrijwillig boetebedevaarten maakten naar Italië en Spanje, moeten onder de iinvloed gekomen zijn van deze voor hen tot dan toe onbekende zonderling aangeklede kruisbeelden. Het is ook rond dat tijdstip dat de beweging der Begijnen ontstaat en wij de opkomst van de Beggarden, hun mannelijke tegenhangers, meemaken. De mystiek doet haar intrede met de geschriften van Hadewijch en Beatrijs van Nazaret. Zij, hun medezusters en vele gelovigen namen hun visioenen voor werkelijkheid. Aldus ontstonden sagen en legenden.

Ontkomer en Wilgeforte

Ik herinner mij uit mijn prille kinderjaren, dat moeder tijdens helse onweders met knetterende bliksems en ratelende donderslagen een kaars ontstak en bad voor ene Sinte-Ontkomer of Ontkommer, die naar haar zeggen in de Sint-Germanuskerk werd vereerd. Met de hulp van deze heilige kon men verlost worden van alle angstige, geestelijke of lichamelijke kwellingen! Bedoeld werd ontkomen aan het gevaar, de kommer wegnemen, verlost of bevrijd worden. (In "Revue d'Histoire Ecclésiastique" (XXXI - 1935) publiceerde J. Gessler "Une version inédite de la légende de Sainte Wilgeforte ou Ontcommer".)

Het blijkt dat de legende in Vlaanderen moet zijn ontstaan, gezien de verscheidene namen waaronder men de sinte kende: Ontcomer, Ontcomene, Ontcommer en eveneens Wilgefort, een eigennaam met Germaanse vorm net als Wilgefried, Wilgerod, Wilgemunde. De Franstaligen uit de Zuidelijke Nederlanden wisten deze naam niet te verklaren en vonden er niets beters op dan te denken dat Wilgeforte kwam van Virgoforte, Vierge Forte of Sterke Maagd.

De legende luidt: Een maagd-martelares, dochter van een Portugese koning, gedoopt buiten weten van haar heidense ouders, die zich aan haar hemelse bruidegom had gewijd, kreeg door haar gebed miraluleus een baard. Aldus ontkwam ze aan de lusten van een wildebras als de koning van Sicilië, die zij moest huwen. Om haar te straffen voor deze toverij liet de vader haar kruisigen, vandaar de naam Ontcomene of Ontcommer. Het verhaal staat geschreven in een "cleyn geprint boexken" uit de 15e eeuw dat het leven vertelt van Sint-Augustinus naast verhalen over heilige vrouwen. Dit manuscript komt waarschijnlijk uit één of ander klooster van Augustinessen.

Liberata

Van in de vroegste tijden was er ook een Spaanse gekruisigde heilige, onder de naam LIBERATA - overleden in 581 met feestdag op 18 januari - ook bij ons bekend. Zij wordt door vrouwen in aanroepen voor het bekomen van een goede "verlossing": Liberata > Bevrijde > Ontcomene > Verloste.

Te Beauvais in Frans-Vlaanderen was er een geheime bedevaart naar St.-Wilgeforte door vrouwen die van hun man wilden bevrijd of verlost worden. Ze spraken onder elkander van Saint Débarras. Ze gingen de heilige gewoon verzoeken hen te verlossen van hun slechte man! De priesters waren hiervan zeker op de hoogte, maar konden niets doen tegen deze heidense geplogenheden. De toegang tot de kerk was vrij en hun innigste gebeden zichtten zij rechtstreeks tot het beeld.

Zonderling is dat ook in Engeland de heilige UNCUMBER werd vereerd. Daar brachten de vrouwen haver ten offer voor het paard van de duivel dat hun man rechtstreeks naar de hel moest voeren!

Dertienmaal

Keren wij nu terug naar de aanvang van deze bijdrage. Ons gekleed kristusbeeld werd oorspronkelijk vereerd in het klooster der Wittevrouwen of Reguliere Kannunnikessen van Sint-Augustinus en wij weten uit de overlevering dat de Dertienmalers van Hakendover destijds hun tocht maakten tussen Hakendover en en het klooster der Wittevrouwen. Die tocht begon en begint nog in de nacht van 17 januari bij de kerk van Sint-Salvator (Zaligmaker-Verlosser) en ging toen naar het geklede beeld, om verlost te worden van alle beslommeringen of kommer. Maar is het toeval dat 17 januari de feestdag is van Sint-Antonius-Abt die ook moest strijden tegen de bekoringen, en dat op 18 januari Sinte-Liberata, die men kan vereenzelvigen met Sint-Ontcomer of het geklede kristusbeeld, wordt gevierd?

Als besluit deze passus uit "Kirche und Kultus im Mittelalter" van G. Schnürer (Paderborn, 1930): "Alles deutet darauf hin, dass der bärtigen heiligen Kûmmernis oder Wilgefortis, der unter dem Namen Ontkommer zwischen 1400 ind 1410 zuerst in Flanderen festzustellen ist, auf das missverstandene Bild einer bekleideten Heilandsfigur am Kreuze zurück gëht."

R. Morren

Aanvulling bij "Onze-Lieve-Heer der Wittevrouwen" van R. Morren

Gift

"Over de oorsprong van dit kruisbeeld leeft in Tienen de volgende legende:De kanunniken van het kapittel van Sint-germanus droegen de kerk van Hakendover een grote verering toe en ze besloten de tempel met een kostbaar geschenk te begunstigen. Daarom kochten ze en groot kruisbeeld." (Rock) Volgens P. Dewalhens (in "Folklore et légendes de Tirlemont", 1959) besloten de kanunniken van Sint-Germanus tot zulk een gift nadat de kerk van Hakendover in 1489 was gebrandschat door de troepen van Albert van Saksen. De geestelijken van de Sint-Germanuskerk wilden het beeld stoetsgewijze van deze kerk naar Hakendover dragen. Aan het klooster van de Wittevrouwen gekomen, hielden ze een ogenblik halt om te rusten, en ze plaatsten het kruisbeeld tegen een muur van het klooster.Na enkele uren wilden de kannunniken hun weg verder zetten, doch hun verbaeing was groot toen bleek dat het onmogelijk was om het kruisbeeld wer op te heffen!De eerwaarde heren hekenden in dit wonder een schikking van God; de Heer - dit was duidelijk- gaf op een mirakelvolle wijze te kenne, dat Hij daar wilde vereerd worden.Daarom keerden ze naar de stad terug.Geruime tijd bleef het wondere kruisbeeld tegen de muur staan in de open lucht en zonder enige beschutting tegen de wisselvalligheden van de jaargetijden. Het wonderbare beeld verwekte de verering van vele godvruchtige zielen." (Rock)

Kapel

Reizigers en pelgrims die naar het Heilig Land gingen of ervan terugkeerden, brachten hulde aan het beeld. Volgens "Aenteekeninghe van 't Heyligh Cruys rustende bij de Witte Vrouwen in de voorstadt van Thienen vernieuwt Anno 1730" zou Magareta, dochter van Maximiliaan van Oostenrijk en Maria van Bourgondië, een klein "gebedshuis" of kapel hebben laten optrekken, om het beeld te beschermen tegen de weersomstandigheden. Zo lang de scheepvaart op de Gete en de "havenactiviteit" (weliswaar een kleine haven) in Tienen heeft geduurd, koesterden de schippers een bijzondere devotie voor het beeld. Tal van mirakels zouden zich hebben voorgedaan.

De aartshertogen Albrecht en Isabella zouden bij een bezoek aan Tienen in 1610 een milde aalmoes van 50 pond hebben geschonken om het kapelletje te vergroten en te herbouwen. Jan Ambroos Van Cuyck schreef echter in zijn "Description du jubilé de la Sainte Croix de 1816" dat de aartshertogen de kapel zouden oprichtten en dat ook het befaamde beeld pas uit die periode stamt.

Processie

Jan Wauters meldt in zijn "Legende van de Christus der Wittevrouwen" (1954) dat vanaf die periode een processie uitging waarin het beeld op een praalbed werd meegedragen langs de kloosters van de stad. Ook het Sint-Laurentiusgasthuis dat van oudsher pelgrims herbergde, werd bij deze gelegenheid aangedaan. De magistratuur en de clerus richtten deze processie in. In 1759 meldde het Resolutieboek: "De wethouders verleenen aen die van het fruyteniers en de hoveniers ambacht deser stadt te stellen vier personen, twee uyt het fruyt en twee uyt het hoveniers ambacht, om te draegen den gecruysten Cristus in de processie soo naer Cabbeek, Barberendael, St-Laureys en de Wittevrouwen als andersints, ordonneerende aen de suppoosten van de voorscr, ambachten allen, deselfde processie­lichaemsgewijs te vergeselschappen op pene van vijf stuyvers."

Uit een rekenboekje van 1557 zou blijken dat het Sint-Laurentiusgasthuis de dragers betaalde. Reeds eerder zou er een broederschap van het H. Kruis hebben bestaan, "want in 1513 deed Barbara Oliviers daarvoor een gift (C. vAn De Wiel, 1900).

het Franse schrikbewind

In 1798 werd het klooster inbeslaggenomen door de Fransen en de zusters werden verbannen. Op 29 maart 1800 verkochten ze het klooster en een groot deel werd gesloopt. De famillie De Wyth - de Villegas bewaarde het kruis tot 1802. In 1803 werd het overgebracht naar de Sint-Germanuskerk. Rock schreef hierover: "Onder het Franse schrikbewind, toen het klooster van de WIttevrouwen werd aangeslagen en verkocht, bracht de commissaris van de stad Tienen dit kruisbeeld op zijn rug naar de kerk van de H. Germanus, waar het nu nog berust in het Kruiskoor."

Dertienmaal

Helemaal in de geest van het Concordaat van 1802 besloot men de verering van het kruis weer te koppelen aan het Dertienmaal.

"Na de Franse omwenteling deden de Dertienmalers enige jaren de bedevaart van de kerk van Hakendover tot de Sint-Germanuskerk van Tienen naar de Lieve-Heer der Wittevrouwen; doch, daar die tocht te uitgebreid was, heeft men de bedevaart verkort, en thans gaat men slechts tot aan het kerkje van Onze-Lieve-Vrouw-ten-Steen. (Lodewijk Rock), Twee voksgebruiken te Hakendover... het Dertienmaal in: Sagen en legenden uit het Hageland. )

Kleed

Volgens P. Dewalhens werd het beeld pas in het begin van de vorige eeuw getooid met het lange purperen kleed die enkel hoofd en voeten onbedekt laat.

In de Sint-Germanuskerk werd de Christus van de Wittevrouwen gekoppeld aan de verering van het Heilig Kruis die reeds lang in deze kerk in voege was. Deze verering vindt plaats op de eerste drie vrijdagen van de maand maart.

Bibliografie:

  • Rock, L. "Twee volksgebruiken te Hakendover... het Dertienmaal in: Sagen en legenden uit het Hageland.
  • Dewalhens, P. "Le Christ des Dames Blanches" in: Folklore et légendes de Tirlemont. Tôme I, 18 -24.
  • Lecock, L. De Hanemannen van Grimde, monografie van een Tiense wijk. Tienen, 1995, 228 p.
  • Tienen 1635
  • Van Laarhoven, J. De beeldtaal van de christelijke kunst. geschiedenis van de iconografie. Nijmegen, 352 p.

Robert Morren