grade

Wulmersum

Wulmersum is thans een gehucht van Hakendover Het ligt anderhalve kilometer ten zuidwesten van het centrum van Hakendover. Het gehucht wordt doorsneden door de spoorlijn Brussel-Luik. Op het eind van het Ancien Régime werd het tijdens de Franse bezetting een gemeente. In 1811 werd die opgeheven en bij Hakendover gevoegd. Lange tijd had Wulmersum zijn eigen Sint-Dionysiuskapel. Omstreeks 1847 werd de kapel gesloopt voor de aanleg van de spoorweg Brussel - Luik.

Klein-Holland

In de volksmond heet Wulmersum Klein-Holland. Over de herkomst bestaat geen duidelijkheid. Bekend is dat een aantal inwoners van Wulmersum actief deel namen aan de strijd tegen de Hollanders in 1830. Volgens anderen lag er in die tijd een Hollands regiment gestationeerd in de buurt van het huidige kasteel van Vossem op de weg naar Meer. Een ander verhaal vertelt hoe een inwoner met de soldijkist van die Hollanders aan de haal ging en hierbij zelfs een moord pleegde. 

Klein-Holland

Het dorp dat zijn kerk verloor

Unsplashed background img 2

Klein-Holland

Na de Franse tijd is Hakendover net zoals de rest van ons land onder Hollands bewind. Uit die tijd zijn heel wat verslagen van de gemeenteraad bewaard gebleven. Jammer genoeg hebben we die gegevens nog niet grondig uitgespit. Een paar feiten zijn niettemin het vermelden waard. Op een oude brief uit een privécollectie lezen we hoe een aantal inwoners van Hakendover en Wulmersum zich 'verdienstelijk' hebben gemaakt bij het verdrijven van de 'Hollandse bezetter'.

"De ondergetekende, Patrice Dewaelheyns, ex kapitein der vrijwilligers van Tienen van 1830, verklaart en bevestigt dat de genaamde Stevens Jan-Baptist in Hakendover heeft gediend onder zijn bevel van 27 oktober 1830 tot 2 of 3 maart 1831 in gezelschap van zijn landgenoten Boyen Augusta, Dewaelheyns Constantin, Vangoidsenhoven Charles, Weenen Guillaume, Weenen J. B te. en anderen Hij bevestigt dat voorgenoemde Stevens zeer actief heeft deelgenomen aan verschillende dienstnemingen en hielp onder andere aan het in beslag nemen van 3 bespannen karren hooi en met de Hollanders op de vlucht te jagen. uitgegeven te Tienen 5 april 1880

Gezien ter wettiging v.d. handtekening v. Dhr. Patrice Dewalheyns, hierboven aangebracht"



Sint-Dionysiuskapel
van Wulmersum

Ergens omstreeks 1847 verdwijnt de Sint-Dionysiuskapel van Wulmersum. Ze wordt gesloopt voor de aanleg van de spoorweg Brussel - Luik. Kunnen in de archieven massa's documenten teruggevonden worden over de aanleg van het traject Leuven - Tienen, dan blijven we voor het stuk Tienen - Landen op onze honger zitten: verloren gegaan, nog niet geklasseerd. Men kan het ons in het Spoorwegmuseum zelf niet met duidelijkheid zeggen. Hetzelfde geld voor het gemeente- en kerkarchief van Hakendover. Door een 'bewonderenswaardige' daad van een van onze vroeger dorpsbewoners, gingen alle stukken in de brand van het gemeentehuis verloren. Het kerkarchief van Hakendover bevat nog een document over het slopen van de kapel van Wulmersum. Hierover later meer. Is alles verloren van de oude kapel? Als we de overlevering mogen geloven, en we hebben reden genoeg omdat te doen, dan moeten we nagatief antwoorden op deze vraag.

De Sint-Denijskapel stond tot in 1837 ten westen van de Kapelstraat, op de plaats waar nu de spoorweg loopt, meer bepaald op perceel C 123. Een deel van dit perceel bestaat nog. Volgens Bets (1888, 12) werd deze kapel aan de kerk van de H. Lambertus te Luik afgestaan, door de edele heer Radulfus en zijn huisvrouw Gisla. De mogelijkheid bestaat echter dat de kapel van Wommersom wordt bedoeld. Enkele namen: 1482 In Wuluezeem der Capellen aldair (RA f. 26), 1577 De Capelle van Wuluersum (RL f. 9v), maar in 1655 ook kerck van wulmersom (k.Park TB f. 100). Recent is de O.L.V.-kapel tussen de spoorweg en de Wulmersumsesteenweg bij het Broedersblok. Van 1934 dateert de Sint-Antoniuskapel op de Wulmersumsesteenweg, richting Meer.
Paul Kempeneers

KEMPENEERS, P., "Hakendoverse plaatsnamen (II), (http://www.dbnl.org/tekst/_naa002199101_01/_naa002199101_01_0006.php), Geraadpleegd op 2 septemer 2016.

Omstreeks 1847 wordt te Wulmersum een huis opgetrokken met afbraakmateriaal van de kapel. In dit huis hangt tot laat in de twintigste eeuw de kapeldeur. Deze zware eikenhouten deur is getooid met een prachtig ornament van een zonnebloem. Later verhuist de deur naar Wolvertem, samen met een familielid. Vanuit Wolvertem volgt de deur haar nieuwe eigenaars naar Magoster bij Marche-en-Famenne. Daar koopt G. Holsbeek -Tiens politicus en berucht door zijn aprilgrappen- de deur. Het verhaal van de deur komt uitgebreid aan bod in het regionale overzicht van het Nieuwsblad. We citeren:"De eiken deur van 82 kg staat in de living van Holsbeek tegen de muur. (...) De overgrootvader van Holsbeek langs moeders kant bouwde in 1847 in Wilmersum een pachthofje met de afbraakmaterialen van de kapel. Zo kwam ook de buitendeur van de kapel in handen van de familie Holsbeek."

Ook het klokje van de kapel van Wulmersum wordt overgebracht naar het huis van Lammekes. In verband met die klok doen verschillende vaak merkwaardige verhalen de ronde.Een versie luidt als volgt:Op zekere dag halen de mannen van Hakendover de klok te Wulmersum weg en ze wordt opgehangen in het schuurtje van Jo Grossen langs de Oude Heerweg. De mannen van Wulmersum zijn door dit voorval zo aangedaan dat ze aan de garde (Tis of `Tits' naargelang de versie) melden dat ze het hierbij niet zullen laten en van plan zijn de klok terug te halen. Als ze `s avonds ter plekke komen, blijkt de klok verdwenen.Volgens een getuigenis wilden de Wulmersumenaars de klok op een soort statief bevestigen als bezienswaardigheid bij Wulmersum-kermis.Volgens een andere versie hing het klokje in de winkel van Leon Grossen. Maar tal van mensen getuigen het daar nooit te hebben gezien. Nog een andere versie vertelde dat het klokje in het oude gemeentehuis hing en het werd uit het puin gered na de brand die dit gebouw vernielde. Jaren zou het klokje daarna in een schuurtje langs de Hollestraat gelegen hebben.Welk van deze verhalen vertelt de waarheid? Geen van alle blijkt, want het klokje was een heel andere geschiedenis beschoren. Of is ook deze geschiedenis fout? Oordeelt u zelf.

Volgens mondelinge overlevering van de ouders aan hun zonen Clement Kinnaer (echtgenote Leonia Holsbeek) en Ferdinand (Nand) en later door deze 2 personen aan Staf Dewaelheyns, bevond het klokje zich tot rond de eeuwwisseling in Wulmersum. De toenmalige pastoor vond het niet gepast dat een leek een gewijd voorwerp in zijn bezit had. Daarop schonken de bijgelovige bezitters van het klokje het aan de kerk van Hakendover.Volgens overlevering van August Dehoperé (suisse) aan zijn zoon Jan Dehoperéé (koster tot halfweg de zestiger jaren) bleef het klokje in de pastorij verstopt wegens het gevaar voor inbeslagname door de Duitsers tijdens de Wereldoorlog. Rond 1964 - 1965 komt het klokje door toedoen van E.H. Hoegaerts in het bezit van Staf Dewaelheyns omdat het 'behoorde in Wulmersum te zijn'

Mantel: brons
Hoogte: 17 cm
Diameter: 17 cm
Kleine diameter: 8 cm
Klepel: smeedijzer

Wulmersum-kermis

Servaes Kinnart

Sedert wanneer Wulmersum bij Hakendover is gehecht, is van weinig belang. In ieder geval, Wulmersum en Hakendover vormen één gemeente. Heeft de aanleg van de spoorweg Brussel-Luik rond 1850 iets met de fusie te maken gehad ? Waarschijnlijk wel. Want het kerkske van St.-Denijs in Wulmersum is door de aanleg van de spoorlijn verdwenen en de mensen van Wulmersum zijn inzake onderwijs, adminis- tratie en godsdienstbeleving steeds op Hakendover aangewe- zen geweest. Het is dan ook niet zo bevreemdend dat bij de processie van Hoogwaardig het beeld van de martelaar die zijn afgehakte hoofd in eigen handen nam, door mensen van Wulmersum gedragen wordt .

De jaarlijkse kermis aldaar, in de schone maand mei, was voor de jonge mannen van Hakendover een niet te missen gebeurtenis. In een grote groep trokken zij er naartoe, na vooraf één man met de geldelijke aangelegenheden te hebben belast. Profiteurs en zakkenrollers werden geweerd. In han- den van de ‘schatbewaarder’ moest ieder op voorhand zijn bijdrage deponeren. Er werd gevierd tot alles ‘op’ was. Over- schot heb ik nooit geweten! Maar met de waard een loopje nemen werd niet als een zware misdaad beschouwd. Amper was de laatste kermisganger binnen of het werd een hels ge- roep van: ‘Bier -Bier! Of we gaan op een ander!’ De arme waard deed zijn uiterste best, maar door het geroep en getier verloor de man alle besef van het aantal pinten dat hij reeds had besteld. Zij die het eerst bediend werden, zorgden er voor hun pint weg te moffelen om dan opnieuw het koor der deugnieten te versterken. En als dan eindelijk iedereen bediend was en de man vroeg: ‘Met hoeveel zijn jullie?’, werd hem geantwoord: ‘Wel telt ze! We zijn hier allemaal!’

Bij het verlaten van de herberg was de waard de troep gevolgd. Maar één van de bende had dat opgemerkt en riep: ‘Dooreen lopen, jongens, dooreen lopen. Hij is aan ‘t tellen!’ De arme man heeft nooit juist geweten hoeveel pinten hij getapt heeft en hoeveel klanten hij bediende. Wel maakte hij de spijtige bedenking: dat die van Hakendover schelmen zijn. En hij had nog gelijk ook!

Alhoewel Wulmersum en Hakendover één en hetzelfde dorp uitmaken, is er toch een zeker verschil in mentaliteit. Naar mijn gevoel zijn de mensen van Wulmersum serieuzer (op enkele uitzonderingen na) dan die van Hakendover. Het ge- zegde dat de beste parochianen het kortst bij de kerk wonen, is niet altijd waar.

In ieder geval: kermis is kermis en dat moet gevierd worden. Over dat punt geen discussie! Evenals in Hakendover ter gelegenheid van Paasmaandag de bestaande cafés niet vol- stonden om al de dorstigen te laven en er gelegenheidscafés hun deuren openden om een frankske bij te verdienen, was ook op het erf van Dolf van Lammekes een danstent opgericht. Zo waren alle voorwaarden om er eens een ferme kermis van te maken vervuld.

De ruime keuken bij Dolf van Lammekes was de zoete inval van de ‘bende van Hakendover’. Ik was er toen niet bij maar dat neemt niet weg dat ik bij het vernemen van de opvoering eens hartelijk gelachen heb. In die keuken stond een ‘moule’ of een houten bak waarin het deeg werd klaargemaakt voor- aleer het onder de vorm van brood in de oven werd geschoven. Diezelfde moule deed dienst als tafel. Het volstond een uit ver- schillende planken aaneengenageld blad over de bak te schui- ven. Zo eenvoudig was dat. Als Dolf zelf eerder langs de ma- gere kant was, dan was zijn wederhelft net het tegenover- gestelde. En het was juist dat goede mens dat aanleiding gaf tot de ganse vertoning.

Eén van ‘die van Hakendover’ vroeg of zij ter gelegenheid van Wulmersumkermis vlaaien had gebakken en of er geen stukske afkon.

‘Nieje joenges, geile zet bé te veulen. Da kan ni!’

Maar ze lieten haar niet gerust en ten slotte -om van het gezaag af te zijn - besloot ze dan toch maar een taart uit de kelder boven te halen. Nauwelijks was de vrouw de keldertrap afgedaald of iemand schoof de grendel toe zodat het brave mens opgesloten zat. Zij begon te jammeren en te roepen, maar niemand scheen haar te horen. Totdat tenslotte Dolf zelf ten tonele verscheen. Hij maakte zich danig kwaad, maar dat kon allemaal niet helpen. Met vereende krachten werd Dolf vastgepakt, in de moule geduwd en het deksel toegeschoven. Alsof dat nog niet genoeg was, ging er nog iemand op het deksel staan en begon een liedje te zingen dat onmiddellijk door al de anderen werd overgenomen. Hoe lang Dolf in zijn moule heeft gelegen is moeilijk te bepalen. Toen men hem ten slotte bevrijdde, was er van ‘die van Hakendover’ geen mens meer te bespeuren.

Facebook