grade

Lammes

de geschiedenis van een lemen hoeve

Het einde van de 18de eeuw vormde een overgangsperiode die bij historici staat gekentekend als het einde van de Nieuwe Tijd. Onze gewesten stonden toen onder het Oostenrijks bewind. Onder keizer Jozef II brak tengevolge van onder andere de kerkhervormingen en de nationaliseringspolitiek die hij doorvoerde, heftig protest uit. In 1790 ontstond de ‘Republiek der Verenigde Nederlandse Staten’, doch in datzelfde jaar werd het leger van deze jonge republiek in de pan gehakt door het Oostenrijks leger. Nadat de Fransen de Oostenrijkers hadden verslagen in Jemappes konden zij een jaar lang hun gezag vestigen.

In 1793 versloegen de Oostenrijkers de Fransen in de slag bij Neerwinden. De terugtrekkende Franse soldaten plunderden Hakendover. Aan de Oostenrijkse periode kwam definitief een einde na de overwinning van de Fransen bij Fleurus. Op 19 juli 1794 vond er in Hakendover nog een schermutseling plaats tussen Fransen en Oostenrijkers. Het was een rampzalige tijd voor ons dorp. Tien van de voornaamste huizen waren afgebrand, de paarden werden door de soldaten opgeëist, de veldvruchten vernield ...

In 1796 richtte H. De Waelheyns, regent van Hakendover, en agent J.H. Van Helmont een verzoekschrift aan het be- stuur van het Departement van de Dijle, waarvan Hakendover deel uitmaakte sinds de definitieve inlijving van onze gewes- ten bij Frankrijk op 1 oktober 1795. Ook het Gildehuis van de Sint-Sebastiaansgilde ging in de vlammen op. Niet toevallig was De Waelheyns ook nog eens hoofdman van de gilde... De vraag om de inwoners van Hakendover vrij te stellen van de verplichting de paarden in te leveren omdat de oorlogsschade nog niet was hersteld, ‘verdiende’ volgens het bestuur ‘niet in aandacht te worden genomen’.

Ook kwam er een einde aan de machtsperiode van de kerk. Priesters moesten haat aan het koningschap zweren en loyaliteit aan het Régime betuigen. Het zou kunnen dat E.H. Jan-Baptist Davidts, pastoor van Hakendover, dat heeft geweigerd, want volgens sommige bronnen werd hij door de Franse Republiek gevangen genomen en gedeporteerd naar het eiland Ré. Na het Concordaat tussen Paus Pius VII en Napoleon dat de Katholieke godsdienst erkende als de gods- dienst van de meerderheid van de Franse bevolking, kon hij zoals vele anderen terugkeren. In de tussentijd werd misschien ook onze kerk gesloten. Door het instellen van de burgerlijke stand werden geboorten, huwelijken en overlijdens voortaan niet meer geregistreerd door de dorpspastoor in de parochieregisters, maar door een ambtenaar van de burgerlijke overheid. En net in die tijd moet de geschiedenis van de oude hoeve van ‘Lammes’ gesitueerd worden..

Veel gewone mensen, door de Franse godsdienstvervolging zwaar geschokt, weigerden aanvankelijk aangifte te doen. Guillielmus Servasius Kinnart (geboren op 3 april 1764 en zoon uit het huwelijk van Servatius Kinnart en Maria Clara Vanderlinden) en zijn echtgenote Maria Gertrudis Goyen kregen voor zover bekend vijf kinderen. De vermoedelijk oud- ste zoon kreeg de eerste naam van zijn vader Guillielmus en werd in de burgerlijke stand ingeschreven op 31 januari 1800. Eigenaardig genoeg vinden we in de lijsten van de voor- gaande jaren nergens een vermelding van het huwelijk. Hadden ook zij geweigerd ‘burgerlijk’ te huwen en had pastoor Jan-Baptist Davidts hen nog kerkelijk gehuwd ? Mogelijk. Niettemin volgden zij de nieuwe bepalingen nauwgezet op in de daaropvolgende jaren. We vinden nog vermeldingen van vier andere kinderen: Maria Clara (‘6 jour du mois de Germinal l’an dix’, 1803), Maria Elisabeth (1804), Henricus Kinnart (1805), Servasius (1812).

Wellicht uit deze Franse periode stamt nog een erfstuk, een bank, waaraan een merkwaardig verhaal is verbonden. Maria Kinnart, achterkleindochter van Guillielmus Servasius, vertelde het herhaalde malen aan haar kinderen. Een van haar groottantes, misschien gaat het over Clara, had die houten bank, geërfd van een pastoor waarvan zij jarenlang meid was geweest. Mogelijk gaat het hier over de pastoor van Eliksem, want Clara stierf in Eliksem ‘in den ouderdom van 69 jaren’ op 8 oktober 1871, maar dat blijft natuurlijk gissen. 
In de Franse tijd, zo gaat het verhaal verder, had een priester zich in deze bank verstopt, en een paar Franse soldaten waren er nietsvermoedend gaan opzitten toen ze naar hem op zoek waren. Een hoogst merkwaardig verhaal, want het meubelstuk heeft (heden ten dage) geen enkel opbergvak.

4 augustus 1816

De kinderen waren nog jong toen moeder Maria Gertrudis stierf op 4 augustus 1816. Op dat ogenblik hadden onze ge- westen het Franse juk van zich afgeworpen. Zuidelijke en noordelijke Nederlanden waren nu één onder het gezag van Willem I. Maria’s echtgenoot zou de overgang naar het ko- ninkrijk België nog meemaken.

23 januari 1832

Na de dood van zijn vrouw Anna Catharina Steyls ging Joannes Franciscus Waukier, bij zijn broer E.H. Petrus Franciscus Waukier, pastoor te Hakendover, inwonen. Hier zou hij ook overlijden. In het putje van de winter, op 23 ja- nuari 1832 om 6 uur ‘s morgens stierf hij op 93-jarige leeftijd. Dit feit zou niet zo belangrijk zijn in het kader van ons ver- haal, ware het niet dat Guillielmus Servatius Kinnart, de ‘ge- buur’ van de pastoor, mee ging met de priester om als getuige de ‘akte van overlijden’ te tekenen. Die akte vermeldt dat de hoogbejaarde man overleden was in het ‘Pastoryhuys, gelegen in deze gemeynte, bij de Kerk’.

22 december 1838

Bijna drie jaar later wisselde Guillelmus Servatius het tijdelijke voor het eeuwige. Hij stierf in zijn ‘huys gelegen in deze gemeynte, bij de Kerk’. Zijn buurman, Carolus Dewael- heyns trad op als getuige. In het Hakendoverse gemeentebestuur moest men een vervanger zoeken, want de 71-jarige over- ledene was ‘lid van de gemeynte raed’.

1838

Clara, en wellicht ook Servasius, bleven vrijgezel. De andere kinderen traden één voor één in het huwelijksbootje. Maria Elisabeth huwde met Joannes Ludovicus Verhaegen op 15 augustus 1838. Op 19 december van datzelfde jaar trouwde Henricus met Joanne Catharina Ingels.

7 september 1839

Op 7 september 1839, zijn vader was toen vier jaar dood, huwde Guillelmus de twaalf jaar jongere Anna Catharina Persoons. Nadat pastoor Waukier, hun huwelijk had ingezegend, nam Josephus Ponsaerts, schepen van de burgerlijke stand in Hakendover om 17 uur akte van het huwelijk:

‘Wij verklaren, in den naem van de wet, dat door het huwelijk verenigd zijn Guillelmus Kinnart en de Anna Catharina Persoons; Van Allen hetgene (?) wij deze tegenwoordigen akt van huwelijk hebben opgemaakt in de tegen- woordigheid van Henricus Kinnart, landbouwer oud vier en dertig jaeren, van Servasius Kinnart, landbouwer, oud zeven en twintig jaeren, beyde broeders van den bruydegom, van Henricus Goyens, landbouwer, oud twee en dertig jaeren cozijn van den bruy- degom, en van de bruyd, alle wonende in deze gemeynte, en van den heer Henricus Platton, particulier, oud twee en twin tig jaeren wonende te Thienen, den laetste (?) getuygen heeft verklaerd geen bloedverwant of nabestaende te zijn met den bruydegom of met de bruyd, en hebben al de gemelde getuy- gen met ons en met den bruydegom dezen tegenwoordigen akt geteekend, de bruyd en den vaeder van de bruyd hebben beyde verklaerd niet te konnen schrijven, maar dat er hun alle lezing van deze akt was gegeven geweest.’

Na hun huwelijk namen zij vermoedelijk hun intrek in de lemen hoeve die stond op de plaats waar zich nu nog het kleine perceel weidegrond bevindt, aan de westhoek van het kruispunt Begijnhofstraat-Ezemaalsestraat. Het is niet duidelijk of die hoeve door Guillelmus werd gebouwd. Zoals we op de kaarten van Ferraris uit 1776 kunnen zien, stond ze er reeds eerder en vermoedelijk behoorde ze tot de eigendom van zijn familie of de schoonfamilie. In de volksmond heet het gebouw nog steeds ‘Lammes’. Dat maakt ons niet echt veel wijzer. Zoals u al heeft opge- merkt is de naam Guillelmus, of zijn volkse verbastering ‘Lammes’ reeds een lange geschiedenis beschoren in de familie Kinnart. Hoe het ook zij, vanaf het jaar 1839, bleef de hoeve onafgebroken bewoond door de nakomelingen van stamvader Guillelmus en ‘stammoeder’ Anna Catharina totdat de laatste bewoners (zie later) in 1933 verhuisden.

Zaterdag 28 september 1872

Het was een trieste herfstdag in het jaar 1872. Toen stierf de 22-jarige Stephania, dochter van Guillelmus Kinnart en Anna Catharina Persoons. De bij de laatste paaskuis nog gewitte le- men hoeve van ‘Lammes’, was nu in diepe rouw gedompeld. Een tijdje tevoren was de jongedame de koeien gaan hoeden op de jonge klavers. Eén van de beesten was door het eten van dat sappige groen danig ‘opgelopen’ en Stéphanie had daar een hevige schrik van gepakt. Die schrik had haar nu de dood ingejaagd. In zeven haasten werd drukkerij Merckx-Mertens in Tienen gevraagd de doodsprentjes te drukken en zodra die klaar waren, werden ze rondgedeeld in het dorp om iedereen op de hoogte te brengen van dit droeve afscheid. Voor familieleden en vrienden die de opschriften van het prentje lazen, leek het wel alsof Stéphanie hen op die manier vanuit de dood troostend toesprak :

‘In de bloei mijner dagen ga ik naar de poorten van het graf’ en ‘Weent dan niet, mijn geliefde ouders en broeders, ik zal u voor den troon van den Allerhoogsten u voordeeliger zijn dan ik hier was in dit tranendal.’ 

Twee dagen later, op maandag 30 september om 9 uur, werd zij begraven. Pas de zaterdag nadien, op 5 oktober, volgde de plechtige lijkdienst. Zoals dat de gewoonte was in die tijd, volgde er ook een tweede dienst, vanwege het ‘Broederschap van de Heilige Rozenkrans’, waarvan zij net zoals de rest van het gezin lid was. En er kwam ook een derde dienst ‘wegens de jongheid die haar draagt’.

Nu bestond het gezin nog uit vijf broers. Met zijn 32 jaar was Carolus wellicht de oudste. Hij werd op de voet gevolgd door zijn twee jaar jongere broer Ludovicus. Armandus was 28 en de jongste snaak was de 20-jarige Engelbertus. Van Fe- lix, die later gareelsmid werd in Geetbets, kennen we de exacte leeftijd niet. Zo’n grote kroost moet wel voor wat problemen hebben gezorgd als je bedenkt dat zo’n hoop volk toch wel enige slaapgelegenheid vraagt.

Aan die ene woonkamer van de hoeve Lammes grensden twee kleine slaapvertrekken. Eén daarvan was het kelderkamertje, dat zo genoemd werd omdat het drie treden tellende toegangstrapje kon worden opgeklapt en aldus dienst deed als toegangsluik naar de onder de woonkamer gelegen kelder.

Toch was het huis naar de maatstaven van die tijd zeker geen klein huis. De woonkamer grensde aan één zijde aan het karhuis. Aan de andere kant was er een smalle gang die uitgaf op een soort berghok. Vooraan in deze gang was er, vlak bij de toegangsdeur de trap die naar boven leidde. Onder deze trap bevond zich een holte, het kolenhok. Van in de woonkamer kon je, als de deur openstond, recht de koeienstal inkijken die aan de andere kant van de gang grensde. Tussen de koeienstal en de schuur bevond zich nog de paardenstal.

De waterput naast de toegangsdeur van die stal was afgeschermd met een hekken. Toen de kinderen nog klein wa- ren, werden ze gewaarschuwd niet te dicht bij de put te komen, want daar zat een zwart manneke in en dat trok je er in met een haak als je over de rand ging piepen. Geen van de kinderen durfde met zo’n perspectief in ‘t vooruitzicht nog in de buurt van de put te komen. Zelfs de deur van de paarden- stal leek voor de klein ‘gasten’ al binnen het bereik van die gevaarlijke haak.

Zo’n lemen hoeve werd, zoals men dat in Limburg placht te zeggen, geschroeid, dit wil zeggen dat men eerst een bakstenen muurtje bouwde waarop het houten skelet werd bevestigd. Enkel aan de voorzijde van de schuur was te Lammes die stenen muur hoger opgetrokken want daar waren de drie varkenshokken. Boven het eerste hok, naast de inrijpoort had je de opening van het ‘kiekenkot’ dat net zoals de varkenskooien naar achteren in de schuur was gebouwd. Zowel aan de voor- als aan de achterzijde van de schuur was een grote inrijpoort zodat je er met de oogstkar kon inrijden en de schoven in de schuur lossen om ze daarna weer netjes te tassen. Sissen, die de hoeve van Lammes in de jaren ‘20 van de vorige eeuw uitbaatte, zou met een geladen oogstkar eens de bovenbalk van het poortgat hebben uitgereden. Achter de schuur bevond zich een smalle boomgaard met tuin en bijenhal.

Een hoeve bracht ook heel wat werk met zich mee, zeker in die tijd. De dieren moesten worden verzorgd, de koeien gemolken ... er moest geboterd worden. In de zomermaanden werden er heel wat uren gesleten op het veld, maar dat was nog niets in vergelijking met het dorsen met de ‘vleuger’ (vlegel) dat werk was voor de wintermaanden. Ook op school stonden de lessen vaak in het teken van het landbouwersleven. Wellicht gingen de kinderen van Lammes naar het dorpsschooltje van meester Stenge in de Dieperik (waar nu Yvonne en Marcel wonen). Virginie, de moeder van Jan Grossen, gaf er ‘les’ in ‘naad en snit’, maar die lessen zullen wel niet aan een jongeman als Carolus besteed zijn geweest.

Uit het oude huis van Lammes bleef tot op heden een eikenhouten lessenaartje bewaard dat wellicht dienst heeft gedaan tijdens de schooljaren van zijn kinderen. Ook bewaard bleef een schrift van Carolus uit het schooljaar 1857-1858. Op 4 november 1857 was hij 17 geworden en voor een volwas sen jongeheer was het dan ook zeer normaal dat hij zich moest oefenen in het schrijven van brieven.

In de hoofding van de brieven vermeldt hij steevast Tienen ... en de vraag rijst dan ook of hij toen in Tienen naar school ging. Naast de talrijke brieven in dit vergeelde schrift, vinden we er ook rekeningen in over fictieve leveringen van landbouw- goederen en landbouwmaterialen. Iemand die bedreven was met de pen was een welgekomen hulp op de boerderij, want het is niet ondenkbaar dat vader Lammes en moeder Anna lezen noch schijven konden. Zeer interessant is dan ook een soort van huurovereenkomst betreffende de verhuur van een perceel grond:

‘Wij ondergeschrevenen bekennen verhuerd en aen genomen te hebben een persceel land genoemd het half bun- der gelegen regenoten de straet van Ezemaal naer Eliksem voor eene termeyn van negen jaer aen den pryse van honderd acht en vijftig franken per jaer maer op konditie van geene zavel of leem putten te graven en welker huer zal beginnen van heden en vervallen alle jaeren te Sint-Andries 30 november gedaen te Thienen den 16 januarius 1800 acht en vijftig’.

In het schrift is een deel van een groter schrift gestopt dat dateert uit 1860. Dit deel bevat naast voorbeelden van rekeningen en facturen ook korte ‘lessen’ zoals: ‘Wat is een pacht?’, hoofdzakelijk brieven die hij telkens dateert met ‘Haekendover ...’ De brief met de welluidende titel ‘Aen eenen prins om hem eene plaats in zijn huis te vragen’, was duidelijk een sol- licitatiebrief evenals deze met de vraag ‘om eene plaets van makelaer in wissels of in den handel te vragen’. Nuttig was ook een toekomstige boer zich te leren wenden tot de ‘gou- verneur der provincie’ om eene vermindering van personale belastingen te vragen.

Echt heel netjes heeft deze jongeman zijn schrift niet gehouden, want op de laatste pagina tekende hij ‘de vlucht naar Egypte’ en een soldaat. Aan de binnenkant van de om- slagkaft maakte hij een paar aantekeningen :

‘Het rund is gewees naer den vaer 29 junius Clabos den 24 julius’ en ‘1858, het peerd is gestaelt den 10 mey op den eersten kruysdag’

Of Carolus ooit echt gebruik heeft gemaakt van zijn vaardigheid in het schrijven van sollicitatiebrieven ‘naer hooggeplaatsten’ valt sterk te betwijfelen. Na de dood van vader Lammes op 27 februari 1883 bleven broers Armandus en Carolus alleen met hun moeder achter. Vermoedelijk toch, want we weten niet met absolute zekerheid wanneer de drie andere telgen van het ouderlijk nest waren uitgewaaierd. Felix kwam in Geetbets terecht alwaar hij de rest van zijn leven zou slijten als gareelmaker. Dat hij zijn lief was verloren aan een ‘gen- darm’ heeft hij nooit goed kunnen verkroppen, maar de Betsenaars die hem hebben gekend herinnerden hem toch als een olijk man: ‘Als ge het geld moest hebben dat de boeren van Bets hem nog verschuldigd zijn, ge waart stinkend rijk’ wisten zijn dorpsgenoten ooit aan Servaes Kinnart te vertellen.

Felix (noenk Fé) was een fervent duivenliefhebber. Op maandag 4 juli 1910 om 5.30 u. ‘s morgens werden door de ‘Club de Mercredi’ van Brussel 1039 duiven gelost in Miranda (Spanje). Het was een heldere hemel en er blies een zachte oostenwind. Felix had wellicht zijn beste duif ingezet, want het beest behaalde de 32ste prijs. Het diploma dat hij hiervoor kreeg, belandde later in het ouderlijk huis.

Overzicht:

- 03-04-1764: Geboorte van Guillielmus Servasius Kinnart, zoon van Servatius Kinnart en Maria Clara Vanderlinden.
- 31-01-1800: geboorte van Guillielmus Kinnart als eerste van 5 kinderen uit het huwelijk van Guillielmus Servasius en Maria Gertrudis Goyen.
- 04-08-1816: moeder Maria Gertrudis sterft.
- 22-12-1834: Guillielmus Servasius sterft. Hij was lid van de gemeenteraad. Hij sterft in zijn huis gelegen bij de kerk. De pastoor was zijn buur.
- 1838: Twee huwelijken: zoon Henricus trouwt met Joanna Catharina Ingels en gaat wellicht wonen in de hoeve aan de poel (‘Maures’), dochter Elisabeth huwt Joannes Ludovicus Verhaegen en wonen samen op perceel 150 a, thans CERA. Dochter Maria Clara kwam in Eliksem terecht alwaar zij op 8 oktober 1871 stierf op de leeftijd van 69 jaar. Mogelijk was zij ‘pastoorsmeid’. 

1839

Guillielmus trouwt met Anna Catharina Persoons. Hier start het verhaal van de hoeve ‘Lammes’, want zij waren de eersten waarvan we met zekerheid kunnen zeggen dat ze daar woonden. Zij krijgen 6 kinderen: Felix werd gareelsmid in Geetbets en bleef zijn hele leven vrijgezel, Stéphania stierf in 1872 op 22-jarige leeftijd.

Engelbertus en Ludovicus zouden de enigen zijn die de Lammestak aan de Kinnartrenboom verder deden uitschieten. Op 26 juni 1879 om 10 uur ‘s voormiddags ondertekenden Engel en Clementine Respen, ‘Théresia’ (dochter van Joannes Baptista Respen en Gertrude Taverniers, 04-02-1855) de hu- welijksakte. Deze moest door de gemeentesecretaris worden voorgelezen want ‘naar voorlezing hebben de beide moeders verklaard niet te kunnen schrijven door ongeleerdheid.’ Als getuigen traden vier personen op: broers Armandus en Felix, Fredericus Pierlé, gareelmaker en schoonbroer van de bruid, en Henricus Respen, bakkersgast te Tienen en broer van de bruid.

Na zijn huwelijk werd Engelbertus uitbater van een herberg: ‘Café ’t Schip’ aan de Schipplaats in Tienen. Het was een vaste halteplaats voor de Waalse boeren die via de Walenstraat (thans Wulmersumsesteenweg) en Aandoren met hun beesten kwamen aanslepen om ze op de wekelijkse beestenmarkt van de ‘Koeimè’ te verkopen. Maar dat is dan weer een heel ander verhaal.

Rademaker in 't ruthuiske

Op 3 april 1875 stapte zoon Ludovicus in het huwelijksbootje met Josephine Mertens, dochter van Gregorius Mertens en Théresia Hérau (Kérau?) en naaister van beroep. De familie was van Waalse afkomst. Van dit huwelijk bleef een mooie bruidssluier bewaard. Zoals in de huwelijksakte vermeld, was Louis ‘rademaker’. ‘Van regtswegen’ was hij ‘woonagtig te Neerheylissem en met de daad te Hakendover’. Op dat moment had hij aan de ‘plichten der militie voldaan’. Schoonvader Gregorius werkte als beambte bij de ‘Staatsijzerenweg’. Ondanks zijn stiel als rademaker vond ook Louis werk bij diezelfde ijzerenweg. Zijn dochter Maria moest hem ‘s middags wel eens eten gaan brengen in ‘’t ruthuiske’ aan de spoorweg in Hakendover. Waaruit zijn werk daar bestond, weten we niet met zekerheid.

Bezorgde schoonvader zoonlief werk, dan kon vader na- tuurlijk niet nablijven. Vader Guillielmus was hoofdman van de gilde en Louis was schutter. In het gildehuis woonde tot ca. 1860 nog een zekere Ludovicus Vollon, herbergier (zijn kin- deren waren later nog huur verschuldigd). Het is gemeenlijk bekend dat Louis Kinnart en Josephine Mertens hier later hebben gewoond. Kleinkinderen Servaes en Anna zouden hier later na het overlijden van hun moeder bij hun grootouders en Tante Tine komen inwonen.

Het gezin van Josephine en Louis was zeer kroostrijk. Tus- sen 1876 en 1889 schonk Josephine het leven aan 7 kin- deren: Servaas (23-01-1876), Gustaaf (21-02-1877), Leon- tine (30-10-1878), Alfons (01-08-1882), Maria (12-05-1885), Maria Henrica Febronia (13-06-1887) en Emiel (22-09-1889).

Tine trouwde met Jozef Penninckx, gemeenteontvanger, en trok in op de hoeve ‘Baans’ achter de kerk. Alfons woonde eerst in de ‘Poefstraat’ (de Bosveldstraat) en verhuisde daarna naar Antwerpen waar hij de functie van politiecommissaris bij de spoorwegen uitoefende. ‘Teng Jes’ huwde Karel Deckers, beenhouwer in Aandoren. Emiel trok in bij broer Gustaaf, die de stiel van de kleermakerij beoefende, in de Putstraat. In zijn oude dag stapte ‘nonkel Miel’ in het huwelijksbootje met Maria Grossen die samen met haar broer Leon en halfbroer Mille een winkel uitbaatte in de Putstraat. Bij ‘de bekker’ zoals de winkel in de volksmond noemde, kon je zowat alles vinden. Naast bakkerij en kruidenierswinkel, kon je er ook terecht voor ijzerwaren en later ook voor radio’s enz. Welke rechtge- aarde Hakendovenaar kent er niet hogergenoemde Mille van de bekker, een dorpsfiguur als geen ander.

Toch is het vooral dochter Maria wiens leven onverbrekelijk zou verbonden blijven met de geschiedenis van het oude huis van Lammes. Sinds de dood van hun moeder op 22 februari 1887, waren Carolus en Amandus alleen achtergebleven op het voorouderlijke huis. Voor het huishoudelijke werk wier- ven de twee heren een meid aan. Zoals algemeen gekend wa- ren de meiden van die tijd lang niet de snuggerste vrouwen. Op een keer zouden de olijke Mange en Sjaal haar hebben ingeschakeld om de eieren uit te broeden. Nichtje Maria moest na haar schooltijd in de Langestraat in Tienen naar haar nonkels om de huishoudelijke taken te vol- brengen. Hieraan hield zij tal van mooie herinneringen over. Op zekere dag was zij buiten aan ‘t wassen en een ‘Vlan- deras’ kwam langs om lijnwaad te verkopen. Spitsvondig als ze was, deed Maria zich voor als de meid des huizes en zei: ‘Er is niemand thuis’. Op haar teen getrapt zei de verkoopster: ‘Dan zal ter godver niemand nie doodvallen ook nie!’

Werk was er genoeg te Lammes. De dagen vingen vaak aan voor het kraaien van de haan en brachten altijd wel wat ar- beid met zich mee. De koeien moesten gemolken, de paarden kregen de nodige aandacht en ook de stekebeestjes in de bijenhal konden niet altijd aan hun lot worden overgelaten. Voor de varkens kookte en stampte men de kleine patatten. Lijkt het werk van de mensen toen ons nu vaak waanzinnig zwaar, toch werd niets zo maar gedaan. Alles had zijn functie en zijn nut.

Vooral het dorsen - een typische herfst- en winteraangelegenheid - slorpte de krachten van de boer op. Een ander triest werk, het boteren, werd vaak aan de kinderen over- gelaten. Als vrouw had je het zeker niet onder de markt. Je moest het eten klaarmaken, kousen stoppen, brood bakken... De kleren weekten in ‘potas’ (soda) en werden met reepjes ‘sunlight’-zeep en poeder gewassen.

De vloer lag in ‘terras’ en schuurde men van tijd tot tijd met ‘bruin zeep’ waarna hij werd geroodseld. Je kon snel zien als Maria de vloer een beurt had gegeven, als je de hond zag rondwandelen met een rode pels. De Leuvense stoof werd met ‘potlood’ opgeblonken en er werd wit zand op gestrooid. Tijdens de paaskuis stond het witten van de muren op het programma. En ‘s avonds en ‘s avonds ... was het goed. dan sloten hun ogen, moe van de vroeg begonnen dag. Hier, ‘te Lammes’, beleefde Maria tal van anekdotes en ze hield er memorabele herinneringen aan over. Veel van deze belevenissen zou ze later nog talloze malen voor haar eigen gezin oprakelen, vaak tot groot jolijt van de toehoorders. Niet alleen haar verhalen waren een bron van inspiratie voor het schrijven van de geschiedenis van de hoeve Lammes. Ook Servaes Kinnart, haar eigen neef, vertelde steeds vol hartstocht over zijn ‘tweede thuis’. De mannen van Lammes waren olijke gasten. Ze deinsden er niet voor terug om iemand een loer te draaien. Louis Kinnart, de vader van Servaes, haalde zo een ‘lelijke’ streek uit met Tis van Tisses.

Veertig jaar was Maria toen ze op 27 mei 1925 huwde met de 39-jarige Franciscus Lambertus Roggen uit Halle-Booienhoven. Albert Roggen (vader van pastoor Jules, Paul, Michel, Emanuel, Maurice, Andrea, Josée, Leona, Maria) was kozijn van Frans die in de volksmond al gauw de bijnaam Sissen kreeg. Hij trok in in de hoeve van Lammes en nam het veld- werk over van Armandus die toen al in zijn tachtigste levens- jaar was. Hun boerderij was vrij groot naar de maatstaven van die tijd. Twee paarden en acht hectaren grond had toen lang niet elke boer. Toen een van zijn paarden niet drachtig wilde worden, trok hij samen met Servaes naar de kapel van Den Ossenweg (), om daar voor Onze-Lieve-Vrouw te gaan bid- den om dit euvel te verhelpen. In de kapel zou hij een stem hebben gehoord die zei: ‘Ga maar naar huis, uw merrie is drachtig.’

In Hakendover stond Frans alras bekend als een zeer olijk man. Toen hij op een keer zijn arm (been?) gebroken had, verspreidde men het gerucht als zou hij een tak uit een boom hebben gezaagd waar hij eerst zelf was gaan op zitten.  Sissen wilde de lemen hoeve laten afbreken en er een bakstenen huis bouwen. In 1934 kwamen er twee hoeven te koop in de Kerkstraat (Processieweg): de boerderij van de ou- de koster (Dewaelheyns) aan de kerk en de hoeve van gemeentesecretaris-onderwijzer Vandecan, onderaan in de straat. Uiteindelijk viel zijn oog op de hoeve van Vandecan en nog datzelfde jaar verhuisde hij met vrouw en drie kinderen (Julie, Henriette en Lambert). Armandus kon in de nieuwe woonst niet meer aarden en stierf een jaar later op 91-jarige leeftijd. Ook Maria was niet onverdeeld gelukkig, want ze miste het oude vertrouwde wijdse uitzicht op de Ezemaalse berg waar ze te Lammes alle dagen van kon genieten. Frans liet het al niet aan zijn hart komen en voerde hier en daar wat verbouwingswerken uit in de aangekochte hoeve (Lees meer over de hoeve).


Vijf jaar later sloeg het ongeluk met onverbiddelijke hand toe in het gezin van Frans. Zoon Lambert, een goed student, stierf op 13-jarige leeftijd op Paaszaterdag aan de ‘griep in de kop’. Tijdens de mobilisatie verbleef er een Belgisch regiment op de hoeve, waar het zijn keuken installeerde. De vluchtelingen tijdens de Achttiendaagse veldtocht en de oorlogstijd brachten - geluk bij ongeluk - een welgekome verstrooiing voor de verdrietige ouders...

Na de oorlog werd de oude hoeve van Lammes afgebroken. Dat was een zeer moeilijke karwei Een stuk dorpsgeschiedenis behoorde definitief tot het verleden. Sindsdien is het lapje grond waarop de oude hoeve stond nog steeds onbebouwd en in familiebezit...

De geschiedenis van
Hakendover-Wulmersum



We hebben getracht de artikels per tijdvak onder te verdelen. De meeste van deze artikels verschenen eerder in het heemkundige tijdschrift Den Dertienden Dag.

In Hakendover kan je niet anders dan geïntrigeerd zijn door geschiedenis en traditie. Het dorp bulkt van de tradities die hun oorsprong in een ver en mistig verleden vinden. Reeds van in de “Zustersschool” langs de Hollestraat waar we onze 'lagere schoolloopbaan' hebben volbracht, werd onze fantasie geprikkeld door de legenden en verhalen die ons dorp rijk was. In ons klaslokaal bevond zich een kleine bibliotheekkast waaruit we elke week een boek mochten lenen. We vonden er een klein boekje van pater Boon over de bouwlegende van de kerk. Onze fantasie sloeg helemaal op hol toen klasgenoot (en mede-auteur) Geert Weenen met een verhaal over een verborgen kerkschat voor de proppen kwam. En heus niet alleen de kinderen geloofden (en geloven) in het bestaan van die schat!Die verhalen en legenden lieten ons nooit los. En dan waren er de 'grote inspiratoren'. Henri Willems, onze tuinman, vertelde me na schooltijd over zijn ontmoetingen met weerwolven en kabouters... Servaes Kinnart toverde het oude Hakendover weer tot leven door tientallen tekeningen, verhalen, gedichten en houtsnijwerk. Opeens was het “oud huis” waar mijn moeder geboren was meer dan alleen maar een verhaal. Servaes was een levenskunstenaar en een waar dorpsfilosoof... Het verbaasde ons dan ook niets dat hij in “Magisch en mysterieus Hageland en Haspengouw” (V. Wouters) in één adem werd genoemd naast Ernest Claes. Over Servaes Kinnart en het volksleven te Hakendover verschijnt in de loop van volgend jaar een boek. We stortten ons ook 'passioneel' op het verzamelen van boeken en kaarten van Hakendover. Bleek dat Hakendover ook illustere 'nationale' groten tot kunststukken heeft geïnspireerd. Charles Decoster, Stijn Streuvels, Alfred Ost, folkloristen Marinus en Isidoor Teirlinck... en tal van anderen kregen bezoek van de Hakendoverse muze. En in eigen dorp was er het opzoekingswerk van Victor Respen dat uitmondde in het boek “Hakendover”.

In 1993 startten we met de uitgave van het heemkundige tijdschrift ‘Den Dertienden Dag’. Een aantal teksten werden later wat uitgebreid, herschreven en gebundeld in het boek “Hakendover, een beeld van een dorp”. Een aantal volksverhalen over spoken en weerwolven en de beroemde historie van de “boeufjacht” werden verzameld in het kleinood “Spookvertelsels uit Hakendover – Wulmersum”. Ook andere auteurs lieten zich niet onbetuigd: we denken onder meer aan een viertal boeken die de heer Van Eeckhoudt publiceerde en aan het boek van de heer Paul Kinnaer over de geschiedenis van de Sint-Isidorusfanfare. Anno 2003 ziet weerom een nieuw boek over Hakendover het levenslicht. Rik Poulman van uitgeverij Ripova stelde voor een nieuw boek te publiceren en het ook in Nederland te verspreiden. Zo zou het ook beschikbaar zijn voor de bedevaarders uit de streek van Tilburg en Breda. Tja, een titel als “Hakendover” spreekt in Nederland niet echt tot de verbeelding. “Paarden, Mirakels en Hollanders” zal de aandacht hopelijk wat meer prikkelen. Rik Poulman selecteerde uit onze ruime verzameling teksten die verschenen tussen 1993 en 2003. Naast teksten van mezelf zijn ook teksten van Toon Hendrickx, Servaes Kinnart, Robert Morren, Willem Pierlet, Leon Rubbens, Geert Weenen e.a. in dit boek opgenomen. Ruwweg valt het boek in twee delen uiteen. De artikels op deze site beschrijven de geschiedenis van het dorp maar in een wat ruimer opzicht dan de “geschiedenissen” die in het verleden over Hakendover zijn verschenen. Vooral de zeventiende en de achttiende eeuw komen ruim aan bod. De negentiende eeuw hebben we tot nog toe te weinig uitgediept om er een 'volledig' en overzichtelijk beeld van te schetsen. Die periode komt weinig aan bod. Voor sommigen is die sprong van de achttiende eeuw naar de Eerste Wereldoorlog dan ook wat bruusk.Het tweede deel omvat een verzameling van getuigenissen en beschrijvingen over de bedevaart en de paardenprocessie.

Deze site beoogt ook geen volledigheid. De geschiedschrijving van een dorp is nooit “af”. Er blijven altijd wel een paar grote en een reeks “kleine mysteries” bestaan.

Facebook


De geschiedenis van het dorp...

Unsplashed background img 2

Lammes, de geschiedenis van een lemen hoeve

Lees meer

De geschiedenis van Hakendover en Wulmersum

Lees meer

Geschiedenis van de kerk

Alhoewel een legende uit 1432 vertelt dat de kerk van Hakendover werd gebouwd in 1432 verwijst niet naar zulk een oude oorsprong.

Lees meer

Unieke vondst over Hakendover in middeleeuws handschrift

C. Timmerman, studente aan de universiteit van Leiden schrijft momenteel een bachelorscriptie over een middeleeuws handschrift dat in vakkringen de naam "De Dikzak" draagt. Een van de teksten in het boek beschrijft de legende en de bedevaart van Hakendover. Het is tot nog toe het oudste gevonden document in het Nederlands over de legende.

Lees meer

Bouwgeschiedenis van de kerk van de Goddelijke Zaligmaker

Lees meer