grade

Servaes Kinnart

Inleiding bij het boek 'krabseling van de moule'

Herinneringen sluipen mijn gedachten binnen en toveren de gezichten van lang verdwenen mensen voor mijn ogen. Soms denk ik nog eens aan Marcel of aan Fille of aan Jeanne of aan wie dan ook. Ze kwamen thuis op de boerderij met hun blik- ken kruikje om melk te halen. En je probeert hun stem en hun gang weer voor de geest te halen, enfin hun manier van doen. Jammer want een mens vergeet en herinneringen glijden weg zoals het licht op een lange zomeravond. Maar van sommigen vergeet je het nooit. Omdat ze je hart geraakt hebben, omdat ze je geestdrift hebben gevoed... Of omdat ze net dat hadden wat je in een echte vriendschap zoekt. En leeftijd speelt daar- bij geen rol.

Zo was er in mijn prille jaren Rik Willems die rotsvast in kabouters en weerwolven geloofde en op tafel sloeg als je daar mee de spot dreef. Ik heb daar nooit in geloofd, maar er ook nooit mee gelachen. Hij kon mijn grootvader zijn, maar hij was een vriend. En dan was er Servaes Kinnart. In de familie sprak men altijd met een zweem van bewondering als het over hem ging. Hij had het ‘oud huis’ getekend, vanbinnen en vanbuiten. ‘En jong, ge moet dat zien... hij heeft dorsende boeren getekend, schoon jong, juist echt. En in hout heeft hij een Sint-Sebas- tiaan gesneden, juist die uit de kerk. Schoon.’ Dat was Servaes.

Als Servaes niet tekende, dan was hij aan het vertellen met de mond of met pen en papier. Gewone dingen van alle dag... al die herinneringen uit zijn jeugdjaren en aan het landelijke boerenleven. En als er niemand in de buurt was, dan dwaalde hij door de “diepe straat” mijmerend over lang vervlogen dagen.

‘Als ze hem daar in hadden laten verder gaan...’, zei zijn vrouw Irma eens, erop doelend dat hij nooit een stap in een academie had gezet. Servaes had dat niet nodig. Servaes wàs. Echt, puur, uit het juiste hout gesneden. Hij vertelde met vuur in zijn ogen over zijn vrienden van vroeger: over Keizer en Emmanuel en al die anderen. Servaes leeft sinds 1996 in herinnering en de tekeningen en teksten zijn het enige houvast van zijn vergane werkelijkheid. Ze scheppen een beeld van het oude volksleven, van de gewo- ne gelovige en bijgelovige dorpsmensen uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Dit boek is een eerbetoon aan de volkse ongekunstelde stijl van Servaes. Zijn werk is misschien wel de laatste uiting van ‘volkskunst’ uit Oost-Brabant. Het is heem- kunde én volkskunst én visuele herinnering voor de ouderen onder ons.

En dan was er nog Robert Morren, getrouwd met Stinneke van Suskes, de zus van Keizer. Robert had bij zijn schoon- familie de juiste stek en inspiratie gevonden. Evenals bij Ser- vaes liet het oude volksleven en de heemkunde hem zijn hele leven in de ban. Hij vertelde me hoe de Keizer aan zijn naam kwam en over de heks Carolincke Strook. Een aantal van zijn teksten leken wel de ontbrekende uitleg bij een aantal on- beschreven tekeningen over het vroegere landbouwleven van Servaes. We hebben ze als eerbetoon aan de inmiddels over- leden Robert eveneens in dit boek opgenomen.

De titel ‘krabseling van de moule’ was een zegswijze en betekent niet minder dan de ‘jongste van de hoop’. Het ver- wijst naar de restjes deeg die in de ‘moule’ of de houten bak waarin het brooddeeg werd gekneed, bleven zitten en door de kinderen gretig werden uitgelepeld. Servaes was de jongste in een groot gezin, maar zeker geen overschotje. Wel leverde hij ons de laatste restjes van Oost-Brabants volksleven.

 

Verhalen uit mijn jeugd

Unsplashed background img 2