grade

Rik,  ik mis hem nog aan tafel

Beesten zijn veel slimmer dan mensen, zei Rik altijd. AlleĢ, het woord zegt het toch zelf: mens-dom en dieren- rijk. Daar kon ge niks tegen in brengen tegen zo'n etymologische verklaring. Het klonk aannemelijk en simpel tegelijk. En ge kon het ook zelf zien. Een hond houdt wijselijk zijn mond. Hij blaft als hij lastig is en bijt als ge hem niet gerust laat. Voor de rest is hij content als hij af en toe wat eten toegesmeten krijgt. Mensen zeveren er maar op los en ze praten en praten veelal over zaken waar ze geen verstand van hebben. Rik probeerde ook zo te zijn. De zaken simpel te zien. Rechtdoor zee, zonder zever aan zijn gat. Gelijk een hond, of een kat. Ja, een kat, daar had hij ook wel iets van, koppig en eigenzinnig als hij was. Maar het valse, dat zat niet in hem. Valsigheid was er al genoeg in de wereld. Neem nu de dokters van de kliniek die zijn vrouw Maria hadden laten sterven. Dat waren de slechte mensen, met al hun geleerdheid.

Rik had een geheugen gelijk een paard. (Hoewel voor mij een hond een veel groter geheugen lijkt te hebben dan een paard, meer enfin, dat heeft hier nu eigenlijk niets mee te maken) Rik kende alle winnaars van alle rondes van Frankrijk van in de beginjaren tot nu los uit zijne kop. Hij moest er geen 2 minuten over napeinzen om die namen terug voor de geest te halen. Daar keek iedereen van op. Als hij iets in zijne kop had, dan had hij het niet in zijn gat, zeiden ze in het dorp altijd. En die koppigheid! Mensen lief. Koppig, tot daar aan toe, maar zo koppig. Hoewel hij het volgens dokter Lievens aan zijn hart had, en dat hoorde ge de laatste jaren aan zijn kortademigheid, reed hij dagelijks nog met de fiets rond in het dorp. Meneer pastoor die hem zo op zijn ronde tegenkwam, kon het niet laten om hem daar op te wijzen. Rik in al zijn eigenzinnigheid stopte, draaide zijn fiets in de richting van de kerk en reed bergop. Ongehoorzaamheid tegen kerk en gezag. Zoiets kon in een dorp, maar niet in het stad, want daar maakten ze er altijd veel meer tamboer rond. Daar kwam zoiets in de gazet. De pastoor vertelde het nog op de begrafenis, die affaire met de fiets, en iedereen moest er eens mee lachen. Ik was toen een jaar of tien en misdienaar en alhoewel ik nog niet wist dat ge af en toe moest wenen in een begrafenis, pakte het me wel.

Rik dat is zo'n figuur uit mijn kinderjaren die een stempel op mijn ziel heeft gedrukt. Als ik 's middags van school thuiskwam, stuurde mijn ma me tot bij Rik die een eindje verder woonde in de straat die uitmondde in het beemd. Langs het poortje van de tuin moest ik langs de veranda aan de achterkant binnengaan. Daar was Rik slag op keer in de weer met zijn fietsen. Als kind maakte hij mijn eerste koersfiets met vooraan op het spatbord een kleine statige metalen leeuw. Niet zozeer die fiets, maar vooral die leeuw maakte mijn fiets -in mijn ogen- tot de meest bijzondere fiets van het dorp.

Rik kwam dan even later bij ons binnen gewaggeld en schoof aan aan tafel. Stevige kost van mijn moeder. Zomer of winter kregen we gloeiend hete soep, want zo wou mijn moeder het, en daarna iets met patatten, groenten en een stuk vlees. Groenten en patatten waren van eigen kweek, maar het vlees kwam van bij de beenhouwer. De eigen beesten slachten, was voor mijn ouders al een brug te ver. Ik heb in mijn hele jonge leven maar een keer een varken zien slachten bij ons op de mesthof, en dat was geen schoon gezicht met al dat bloed en het gekrijs van die zeug.

Rik deed "onzen hof" gelijk een tuinman bij de chique families en hij lapte hier en daar wat gaten in muren op. Zo ging dat. Geld vroeg hij niet, hij was al lang content dat hij 's middags mee mocht eten. Als ma en pa in het veld waren, kwam hij me wel eens afhalen aan de schoolpoort. Dan moest ik eerst mijn huiswerk maken voor hij zijn straffe avonturen weer bovenhaalde. In de diepe straat was 's avonds laat eens een spookhond voor zijn fiets gesprongen. Zo een zwart gevaarlijk beest zo groot gelijk een klein kalf. Als ik naar links ging, ging hij mee naar links, zei Rik, en ging ik naar rechts dan deed dat beest hetzelfde. Ik heb me moeten omdraaien en in de andere richting rijden. Op zekere dag in volle oorlog stond er in zijn voortuin een soldaat op wacht. Hij bleek doodgeschoten en het lichaam was ter plaatse verstijfd. Het stond nog recht, kunt ge dat geloven. Mijn ma in elk geval niet, maar ze liet hem vertellen. Dat was Rik. 's Avonds deden de kabouters uw werk in het veld, vertelde hij, maar dan moest ge eten achterlaten. Als die mannekes een goei sjat koffie krijgen en een boke, dan trekken ze het onkruid tussen de bieten uit, of wat ge ook maar wilt. Maar ge moet wel een vuil kom geven als ge ze proper wilt terugvinden. Als ge een proper kastrol met eten geeft, krijgt ge ze smerig en vuil terug. Veel hulp heeft Rik in onze tuin nochtans niet gekregen van de kabouters, maar dat maakte zijn verhalen niet minder plezant.

 

Verhalen uit mijn jeugd

Unsplashed background img 2