grade

Buurvrouw

Rita Verhaegen en ons moeder Julie Roggen in 1952

Neem nu 20-30 jaar geleden. Toen leefde er alleen al maar op ons straat een pak volk dat er nu niet meer is. Ze zijn allemaal weg. De een na de ander ontvalt ons, zo zeggen ze dan. Armand en Paula, Maurice en Therese, Rik en Gaby, Jakke en haar man, de Leuveneër, François Simons, de twee vrouwen van Juikes, Floor Moens, Francine hare man, twee vrouwen bij Foriers, Juleke van Gaudance, Blanca en hare man Jean, Andrea en Jef van Frees, Jules Pastoor, Juis en Germaine van de Korenbloem, ons ma en onze pa. Pas op, niet allemaal zo in deze volgorde natuurlijk. En dan ben ik waarschijnlijk nog wat mensen vergeten, maar een pak kan het niet zijn, want zoveel huizen staan er niet. De straat dat was het decor waar tegen ons publiek leven zich voor een stuk afspeelde. In ons straat had ge niet zo veel commerce, zelfs niet met Pasen. Geen commerce voor de tempel, zo leerden we nog in één van die verhalen uit onze Gewijde Geschiedenis. Jezus joeg de handelaars uit de tempel. Geen platte commerce. Er was Armand waar ge "oelen" en gasflessen kon kopen, Marie-Rose de coiffeur, lang geleden de winkel van Maria Maes (waar ge nog bloem en ander zaken kon scheppen en wegen), de krantenwinkel en het café van Brees, de Korenbloem en bij Pasen het café van Simons waar geen één ander kon aan tippen. Dat was just een echt café, maar het was alleen bij Pasen open, meestal als laatste van heel het dorp. Als het open was, dan zat ik er, tot in de vroege uren als François zijn deur toe deed. Zalig was de tijd.

Onze schoolloopbaan begon in de kleuterklasjes langs het schoolpad achter de zustersschool. Daar mochten we als petieterige peuters en kleuters aanschuiven aan de bankjes in de klas van het klein zusterke en juffrouw Rita. Zo was dat, zo heeft eenieder jonkmens sinds de kleuterklas er was, het geweten en meegemaakt. Juffrouw Rita. Ze sprak u altijd rond en lieflijk en vriendelijk aan. En dat bleef ze doen, ook als ik al lang van haar schoolbankjes weg was. En dat deed ze bij iedereen. Ik weet het nog goed. Ze was als een volrond madonnabeeld dat je altijd met respect behandelde, ook al had ge 's avonds uw drie weesgegroetjes niet gedaan. Dan zweeg ge en ge knikte en je zei vriendelijk goedendag terug.

Ze kon ook aardig streng zijn en dat zag je meteen aan haar ogen en aan haar mondhoeken die dan een halve slag naar beneden draaiden. Als strafwerk moest ge dan tijdens de speeltijd binnenblijven, want straf schrijven dat ging natuurlijk moeilijk voor het eerste leerjaar. Daarvoor moest ge wachten tot ge bij juffrouw Micheline zat in het tweede of derde. Juffrouw Rita was zoals Onze-Lieve-Heer in de hemel. Lief en vriendelijk, maar ook streng en rechtvaardig. Koppigheid en ambetantigheid, dat kreeg ze er wel uit. Enfin, bij de meeste anderen misschien wel, maar bij mij had ze wel een paar handen vol. Sommige kinderen aten hun bokes op op school, maar ik mocht altijd, behalve op dinsdag als ons ma naar de markt was in Tienen, thuis gaan eten. En als we dan na de noen binnenkwamen, vroeg Rita ons altijd wat we thuis gegeten hadden. Omdat ik niet wist hoe dat dat eten heette (patatten en groenten en vlees, dat wel ja, maar de 'juste' naam), antwoordde ik gewoonweg niet. Ik zweeg als een graf. Als ik het niet weet, dan antwoord ik niet. Ik ben tenslotte geen politieker. Juffrouw Rita kon daar niet mee lachen. Haar ogen stonden dan ineens op sterk en haar mondhoeken daalden. Ik mocht bots binnen blijven tijdens de speeltijd die zich in het kleine zaaltje naast de kleuterklasjes afspeelde. Daar zat ik dan. Door het raampje zag ik de andere kinderen spelen en ravotten. En een of andere gast met een vuig karakter durfde dan aan de andere kant wel eens staan lachen, maar daar was juffrouw Rita niet mee gediend. Als ons ma dan te weten kwam waarom ik straf had gekregen, zei die: “Dat zijn haar zaken niet wat wij eten. Zegt in het vervolg maar biefstuk-friet.” Dat was ons ma. Ze kende juffrouw Rita, ze hadden samen nog in de BJB gezeten en waren eigenlijk halvelings buren van mekaar. En ge weet hoe vrouwen onder mekaar zijn. En voortaan zei ik elke nachternoen: "We hebben bufsteek-friet gegeten, juffrouw Rita".

Rita was standvastig zoals de mariabeelden langs de Vlaamse wegen. Daar ging in die jaren geen een aan voorbij zonder even de pet op te lichten en een gedag te zeggen. Ze liet zich niet doen door wat nieuw en modern was. Ze had haar gedacht en haar geloof en daar week ze geen duimbreed van af. De poort van haar huis was voor mij als kind als de grote hemelpoort. Na ons poort, sprak die van haar het meest tot mijn verbeelding. Vorige week zag ik Rita nog aan de keukentafel bij Greta, ze zag er goed en schoon uit, zoals altijd. Mijn handen hingen nog onder de spatten groene verf van de poort thuis. "Uw ma zal content zijn, " zegt Rita. "Ik zie haar lachen in de hemel". De poort van Rita. Af en toe moest ik er eens gaan aanbellen om iets te vragen of om verband te verkopen voor één of ander goed doel van de zustersschool. Dan deed ze goedlachs open en mocht je mee binnen in de grote gang waar haar stem galmde als paasklokken. Een mens werd er stil van. Af en toe deed ik er ook belleke trek, maar u verstoppen achter het muurke links van de deur was niet het slimste wat ge als kind kon doen, want daar is een venster waardoor ze al meteen de dader kon zien. Daarom liepen we in latere jaren, als we al wat meer tot de jaren van verstand waren gekomen, tot aan de poort van de boerderij van Verhaegen, naast Foriers of snel tot achter het oorlogsmonument.

Rita woonde schuin tegenover de kerk. Geen wonder dus, die hemelpoort. Ze was zo waar de buurvrouw van de Goddelijke Zaligmaker, zoals ze zelf eens lachend zei in een reportage van de televisie. Van bij haar thuis liep haar pad in twee richtingen. Eén liep naar beneden tot bij haar zuster Greta en Jan. Griet, Lieve en Ans kenden de weg in de andere richting. Het andere pad liep richting kerk en sacristie waar ze toekeek op de goede gang van zaken. Dat was geen kwestie van bemoeialerij of curieuzeteit. Ze zag het als haar plicht en taak om de speciale kerk van de Goddelijke Bouwer in ere te houden en te vrijwaren van te veel overweldigende menselijkheid. De kerk is en blijft van de Zaligmaker. Met zegenende hand streek ze de plooien glad. Zoals de Zaligmaker de wereld torste in één hand, zo droeg ze de dagelijkse zorgen van onze kerk als een naarstige werkbij.

Rita met haar zus Greta en haar ouders (en andere mensen van Hakendover) in Lourdes, 1952

Eenieder heeft wel hoekskes en kantjes. Als iemand sterft, zei ons moeder altijd, dan maakt de pastoor er in zijn preek altijd een heilige van. Daar is iets van. Ge kunt moeilijk iets anders verwachten natuurlijk. Maar hoekskes en kantjes had Rita niet. Ze was net als haar stem zalvend en rond, zacht maar vol eerlijkheid, uit het juiste spikkebomenhout geschaafd. Maar eerlijk is eerlijk, en wat niet just is, is niet just. Dat daalden haar mondhoeken en durfde ze bezwerend met de vinger terechtwijzen en haar gedacht zeggen. Maar al even snel was die zachtheid terug. Zo maak je het leven zalig. Ge kon u in Hakendover eigenlijk geen betere buurvrouw voor de Zaligmaker inbeelden.

Kris Merckx, 21 april 2017.

Verhalen uit mijn jeugd

Unsplashed background img 2