grade

Geit

Ik had me het anders voorgesteld. Weinigen kunnen het u zeggen, want wie heeft het ooit meegemaakt? Het beest was ziek en ging dood. Zoals alle beesten ooit dood moeten gaan. Zo lag daar vanachter in de grootste kooi van de varkensstal, onze laatste geit, drie weken na de dood van ons vader, op de grond in het stro.

Dood slapen

“Ze is slechter dan ge peinst,“ zei de vétérinaire, “en we mogen een beest niet laten afzien.” Ze zal nu rap in slaap vallen had hij gezegd en haar dan stillekes dood slapen. 

U dood slapen, dat moet ge kunnen. Onze nonkel Paul, die veekoopman was en af en toe bij ons op de boerderij een beest kwam ophalen woensdagavond in het laat, stond 's morgens al terug in de keuken als ik opstond, om het geld van de verkochte koe aan ons pa en ma te geven. Hij had dan al een hele nacht op de beestenmarkt van Sint-Truiden gestaan. Hij kwam nu schijnbaar eerlijk al dat geld afgeven. En onze pa en ma, gaven hem daar dan een deel van terug, alsof hij er zelf nog geen cent aan verdiend had. Door die man zijn manier van werken, begrijp ik beter hoe banken functioneren. Ge levert iemand zogezegd een dienst, steekt er het uwe meer dan voldoende van in uw zak en dan laat ge de mensen er nog een hoop op betalen. Maar enfin, wat ik maar wou zeggen: die man sliep bijna nooit, zo had ik de indruk. Die zou zich niet snel dood slapen. 

Onze pa die bleef soms een ganse nacht op om de zeug in de gaten te houden als die klein kurrekes ging krijgen. Hij viel wel af en toe met zijn hoofd in slaap op de betonnen muur van de varkenskooi, maar alla, dood slapen zou hij zich zo ook niet doen. Ik heb dat ook, ik kon en kan halve nachten opblijven, zonder al te veel ambras achteraf. Veel slaap heb ik niet van doen. Nog een geluk denk ik dan, al die verloren tijd en 's nachts laten ze u tenminste gerust met al hun gezaag en komt er geen facteur met ellendige rekeningen waar ge een blauw tong van zou krijgen.

Bij onze pa in de hemel

“Ge moet er niet op blijven wachten”, zei hij nog. Ik had me voorgenomen om dat toch te doen en ik praatte wat tegen het beest en zei haar dat ze een goei geit was geweest. Ook al had ze er waarschijnlijk niet veel aan, aan die mensenwoorden. En ik vertelde haar dat ze nu naar haar zuster ging en naar Brigitte, die bruin geit die drie weken na de dood van ons moeder ook plots dood lag in haar stal. En dat ze nu naar ma en pa zou gaan en zo voort, en misschien daar wel geitenmelk zou leveren voor de pap die ma en pa in zo'n eeuwige omgeving met gouden lepeltjes dan mogen opeten. Wat zegt een mens zo al, op zo'n momenten. Dat leert ge niet op school of van uw vader of moeder.

Maar het ging anders, ze kreunde en haar tong hing blauw en grijs in het stro, en ze sloeg zich nog een keer of drie vier van links naar rechts in het stro rond, tot ze ineens stil lag.

Zo gaat een geit dood, dacht ik. En ik dekte haar lijf en poten in met stro. Ik zette de riek tegen de muur. Veel zou ik hem niet meer nodig hebben. Ik ging de mesthof op en trok de deur van de varkensstal toe, ook de bovenkant langs waar het licht naar binnen kruipt. Als de dood langs is geweest, sluiten we ramen en luiken en gordijnen. Maar dat laatste vindt ge natuurlijk niet in een varkensstal.


Vilbeluik

Zo lag ze daar tot de dag ter achter, tot in de loop van die dag de mannen van het vilbeluik haar kwamen ophalen. Ik groef haar van onder het stro uit en ze gooiden haar bot en respectloos in den bak van hunne camion waar waarschijnlijk al een deel ander dooie beesten in lagen. Vroeger zag ik dat soms van op mijn kamer door het venster. Als er ergens bij een boer in de geburen, bij Georges van Louiske of Jenke Stoefbuis of Piës een varken of een koe het tijdige met het eeuwige had gewisseld, dan kwam die camion thuis voorbij. En vanuit mijn venster zag ik dan die opgezwollen beesten liggen gelijk in een open massagraf.

“Misschien doen ze dat later met ons ook”, zei ik tegen mijn zus en ze lachte dat ze schokte. “Dan slepen ze uw vent tot op straat en pakken ze hem met zo'n grijparm gelijk in de lunaparkspelletjes op de kermis, of gelijk de tang in de suikerpot. Patat, neer, tussen een hoop andere afgeleefde mensen van zijn slag, vanachter in de laadbak.” Een mens moet al eens kunnen zwanzen op zo'n moment.


Kris Merckx (2016)
Foto's: Liesbeth Haesevoets 

Verhalen uit mijn jeugd

Unsplashed background img 2