grade

Do do en nog eens do

Jan van Juis

Janneke was komen vragen of wij naar de fanfare wilden gaan. En dat willen had weinig met eigen keuze te maken. Aan een man als Janneke kon ge moeilijk iets weigeren. Voor mij betekende het elke woensdagnamiddag en elke zondagvoormiddag naar de muziekles gaan in de zustersschool. Als kind van 7 jaar zijn er op die momenten spannender dingen te doen. Op woensdag kon ge spelen of TV kijken. Maar muziek spelen, dat was niet meteen iets waarvoor ik in de wachtrij ging staan. 

Zondag was een dag van verplichtingen waar ik het nooit echt voor heb gehad. Zondag voelde altijd aan gelijk de laatste dag van de grote vakantie. Ge moest een aantal dingen doen tegen uw goesting en de volgende dag was 't weer school. Het begon al 's morgens. Bij ons thuis aten we in die jaren pensen op zondagmorgen. Een zwarte en een witte met rodebessenconfituur. De pot gelei stond altijd op tafel. In die tijd maakte mijn moeder die nog zelf van de roewei baizen uit den hof. Die pensen, dat viel wel mee, ook al lag dat nogal op de maag zo vroeg op de morgen. Maar abnormaal was het niet, want mijn ouders hadden er tegen acht uur al een uur of 2, 3 werk op zitten. Na de pensen moesten we naar de mis.

Als het niet gaat, speelt ge maar een do

En na de mis moest ik voortaan naar de muziekles. De les op zondag viel nog behoorlijk mee tegen de les op woensdag. Jan leerde ons de eerste noten. Van do tot en met de hoge do in ons solfeĚ€geboekske. En we moesten ook meteen spelen op een instrument. Jan was redelijk praktisch ingesteld. Niet te veel zeveren, maar spelen. Al die theorie was niet zo belangrijk, als ge maar iets uit uw instrument kreeg. 

Als het niet gaat, speelt ge maar een do, zei Jan altijd, dat klinkt altijd. En dat heb ik ook jaren gedaan, als het niet ging natuurlijk. En door jaren slecht te spelen, leert een mens toch wel wat het verschil is tussen een zuivere noot (do) en een slechte. Ge weet dat ge slecht bezig zijt en dan kunt ge twee dingen doen: bezig blijven of het beter proberen te doen. 

Ik koos voor de middenweg. Beter spelen als het hoorbaar was en mijn eigen partituur verzinnen of playbacken op straat in een optocht of in een processie. Geen kat die dat hoorde. Ik heb ook muzikanten gekend die nooit iets anders dan een onzuivere do hebben gespeeld, maar die zijn na jaren toch wel van miserie vertrokken. Dat viel toch een beetje te fel op. Zelf heb ik door die manier van spelen wel een goed gehoor gekweekt. Als ik een liedje hoor dan heb ik meteen de juiste noot te pakken. Of beter gezegd, de juiste toon, want ik hoor in mijn hoofd hoe het moet klinken en hoe ik die bijvoorbeeld op een gitaar, piano of mondharmonica moet spelen. Maar welke noten dat dat allemaal zijn, dat zou ik zo op het eerste gehoor niet kunnen zeggen. Zeker niet allemaal do's. En do's klinken niet altijd, als ik Jan mag tegenspreken.

Dickmans en Delmotte

Op woensdag was de muziekles hel en verdoemenis. Dan kregen we Delmotte, een gepensioneerde militair die zijn naam niet gestolen had. En ook Dickmans, de andere muziekleraar op woensdag, had zijn naam niet gestolen, zoals Gert in een strafwerk op school ooit over hem schreef. Kinderen zijn altijd eerlijk in hun commentaar. Ook al slagen ze de nagel een beetje te letterlijk op hun kop. Delmotte deelde wel geen motten uit, maar had een onvergetelijke techniek bedacht om uw aandacht -althans op het zicht- niet te doen verzwakken. Hij nam op onachtzame momenten uw oorschelp tussen zijn wijs-en middenvinger en draaide dan tot ge het uitkermde van de pijn. 

Ook Dickmans had het vooral op onze oren gemunt, maar hij kletste er met zijn bos sleutels tegen. Luister naar de muziek! Ge zou het nu eens moeten proberen, maar ja, in die tijd bestond de oude stempel nog. De 2 D's (Dickmans en Delmotte) wisselden elkaar af op woensdag. Maar mijn voorkeur ging niet naar de een of naar de ander. Het was voor mij als kind zo'n beetje als moeten kiezen tussen de linker- of de rechterkant van de hel. Wie wilt ge: Satan of Lucifer. Ge moogt kiezen! Maar we hebben het overleefd en we praten er nog met plezier over. We leerden in de les vooral een toontje lager zingen. En wat is er lager dan een D? Een DO.

Noten en maten

Meer dan de plaats van de noten op een notenbalk heb ik op het vlak van muziektheorie echter niet opgestoken. Die halven en die achtsten, daar heb ik nooit een fluit van verstaan. Waarom pakt ge 2 halven, als ge met even veel gemak een hele noot kunt nemen? Dat was voor mij een beetje te hoog van de toren geblazen. En de maat houden, daar heb ik ook nooit veel van verstaan. Een dirigent, dat leek me wel enigszins nodig, maar al die armbewegingen, wat moest dat nu toch allemaal voorstellen? De ene keer naar links, dan naar rechts en naar boven en naar onder. En dan nog met 2 armen tegelijk. Dickmans ging met zo veel geweld te keer bij het dirigeren dat hij soms de volledige controle over zijn stok verloor en het ding zichzelf door de klas katapulteerde en in een paar gevallen zelfs middendoor brak op de pupitter.

Zuster Jeanne en haar fluitje

Zuster Jeanne had nooit in de fanfare gespeeld, maar die kon in mijn ogen wel de maat slaan. Op vrijdagnamiddag kregen de kinderen van de zustersschool muziekles in de klas van het zesde leerjaar. Daar stond dan een soortement orgeltje waar ze de toon op aangaf. Als de moeder (-overste) op een soort hondenfluitje blies, moesten we uit onze boekskes liedjes zingen: "Zoals een hert verlangt naar stromend water, zo heeft mijn ziel haar hoop op u gesteld...". Dat hert bracht mijn romantische fantasie op hol, maar bij die tweede zin heb ik nooit vragen gesteld, alhoewel dat achteraf bezien waarschijnlijk wel de bedoeling was. Muziek zette me altijd aan het dromen. Ge moogt daar niet te fel bij nadenken bij muziek, dat is altijd mijn gedacht geweest. En de maatslag van zuster Jeanne was tamelijk eenvoudig, daar moest ge niet bij stilstaan. Haar linkerarm ging schuin omhoog tot hij een zeker maximum bereikte en ging daarna weer naar beneden. En zo ging dat door tot het liedje gedaan was. Meer moet dat niet zijn.

Ondanks mijn beperkte theoretische muziekkennis, kwam toch al snel de zin voor componeren in mij naar boven. Dat kon toch niet moeilijk zijn. In mijn muziekschrift stonden notenbalken waar ge zelf noten mocht op tekenen en dat was nu net wat ik en Stefan dan ook nogal snel begonnen te doen. Noten, in alle soorten, gevulde en lege (hoe heet dat ook alweer) op de notenbalk. Hier en daar een maatstreep of een rust voor de afwisseling. In de maat 12/25ste of 34/370ste , wat maakt het uit, als er maar iets voor staat. Ik heb mijn composities uit die tijd nooit gehoord, maar ik denk dat het in sommige radioprogramma's nog gehoor zou kunnen vinden.

Een bugel van voor de oorlog

Mijn eerste instrument was een bugel met afgeronde of afgesleten pistons. De afgedankte instrumenten van de oude muzikanten, waren het gerief van de jongeren. Het schroefke om het mondstuk naar binnen te schuiven zat er bij mij niet meer op. Dat was ergens in de lange geschiedenis van het instrument (een van voor de laatste wereldoorlog) afgebroken. Met als gevolg dat het mondstuk naar binnen schoof bij het spelen. Jan wist daar wel raad mee. Tegen de volgende les had hij of zijn broer het spul vast gelast. Zo werd het instrument toonvast.

Als de pistons vastzaten, dan moest ge ze opendraaien en er wat speeksel op laten lopen. En als dat niet hielp, dan moest ge er volgens Jan wat olie voor de mayonaise opdoen. "Uw ma heeft thuis zo een fles staan met olie voor de mayonaise, pakt die maar en doet daar een beetje van op de pistons, dan schuiven die weer." Bij een van die behandelingen sprong de veer eruit. Mijn vader had nog wel ergens een resoorke liggen van een pillicht of iets in die aard. Het moest allemaal geen geld kosten. Zoiets kon ge zelf toch ook maken. Die nieuwe resoor was wel een stukske te kort en mijn pa moest hem een beetje uitrekken waardoor hij wat van zijn veerkracht verloor. De achterste piston nam hierdoor altijd met ietwat vertraging zijn oorspronkelijke positie weer in. Op zich wel uniek zo'n instrument. Ge moest uw RE altijd een stukske te vroeg pakken om op tijd te zijn voor de volgende noot op uw partituur. Maar zo lang ge een do, een mi, een fa of een sol speelde maakte het niet uit. En hoger ging ik toen toch niet.

Stemmen?

Een van de eerste provinciale muziekkampioenschappen waar ik met de fanfare mee naartoe moest, staat in mijn geheugen getekend als een van de meest beschamende momenten van mijn leven. In een grote zaal zaten de muzikanten van alle deelnemende fanfares te samen. We gaan stemmen, zei de begeleidende dirigent. Ik wist bij god niet was dat was, stemmen. Dat het geen verkiezingen waren, dat was me wel duidelijk. En bij de repetitie op vrijdag hadden we bij mijn weten nooit iets moeten stemmen. Daar begon iedereen gewoon te spelen. Speel een do, zei Georges Vanhaele. Een hoge do! Miljaar. Mijn lippen beefden al even hard als mijn handen en daar kwam de noot, een onzuivere DO, als een reusachtige oorverdovende "POEAAH" uit mijn instrument. De hele zaal plat van het lachen. En dan moest ik mijn mondstuk wat uittrekken, zei die dirigent. Doet dat maar eens, als het vast gelast is!

Kris Merckx - 2012

Verhalen uit mijn jeugd

Unsplashed background img 2