grade

Een paar goede weken

Lijdensweg

Eli eli lama sabachtani… zei de pastoor met verkrampte stem en hij zakte met zoveel geweld door zijn knieën dat het houten verhoog onder het altaar een doffe slag gaf. De heer was gestorven, voor de zoveelste keer. Maar ge wist wel: de apostelen hadden allemaal een lap droog brood gegeten en een glas wijn gedronken, Petrus had de heer dan misschien wel verloochend (tot die derde hanenkraai, zo'n haan zoals thuis op de mesthoop liep) en Judas de valsigaard, had zijn eigen van kant gemaakt… maar drie dagen later was het kermis. Dan stond Jezus terug op uit zijn graf en kon je op de kermis soldaatjes van Britains gaan afschieten. Maar die eli eli en bij Pasen de gezongen versie van “Gaat nu allen heen in  vrede, Hallelujah”, hoorden even zeer bij Pasen als de viskramen en de schietbarakken. Het was een noodzakelijk ingrediënt waar zonder Pasen nooit zou smaken. 

Als misdienaar mocht je na de dood van Jezus aan het kruis ook geen bel meer gebruiken en de klokken die zwegen voor een paar dagen wegens onderweg naar Rome. De lucht moet daar zwart gezien hebben van de klokken. En ik vraag me nog altijd af of het de Paus in hoogsteigen persoon was die al die klokken vulde met eieren. Ge zoudt voor minder een kromme rug krijgen en veel meer dan Urbi et Orbi zou er dan wel niet meer uitgekomen zijn. In de plaats van de normale bel, moesten we de ratel laten horen. Nog erger alsof er in het dorp een plaag van de zwarte pest was uitgebroken. 

In de Goede Week hing het kleine kruis dat aan de kant van Piës in de kerk hangt, altijd ruitvormig afgedekt met een doek. En de pastoor maakte dan tijdens één of ander ritueel, één voor één de lintjes los. Waarvoor dat dat precies allemaal goed was, verstond ik niet echt, zeker niet door al die Latijnse gebeden en teksten daarbij, maar dat het nodig was en nu eenmaal moest gebeuren, dat was een zaak die zeker was. 

Net zoals op kerstavond was er bij ons in de kerk een avondmis op paaszaterdag, wel niet om middernacht, maar rond een uur of acht. En dan vertelde niet één man het evangelie, maar dan stonden er drie om het lijdensverhaal van de heer ditmaal figuurlijk, uit de doeken te doen. De pastoor speelde Jezus zelf. Elke uitspraak van de Zoon van God moest door de pastoor voorgelezen worden. De lector die aan de kant van Piës stond, nam de andere uitspraken voor zijn of haar rekening. Dus Petrus, Judas enz… dat was allemaal het werk voor Rik Steenwegen. 

In elk geval had hij al iets meer voor te lezen dan de pastoor zelf. Maar ge moest er goed uw kop bijhouden dat ge niet te laat aan een zin begon of de regel kwijt was zoals sommige kinderen met gebrek aan aandacht op school wel eens voor hadden als ze om beurt moesten voorlezen. De juffrouw die had altijd in het snot als ge niet goed aan het volgen was en dan zei ze: "Leest gij verder?" En dan had ze zo'n valse judaslach op haar gezicht omdat ze wist dat ge de tel, enfin, de regel kwijt was. Dan liep als kind op ene slag uw hoofd rood aan als de kam van de haan die Petrus tot de orde riep. 

De andere lector, die aan de kant van Wulmersum stond, was de verteller. Datzelfde verhaal deden we ook zo met zijn drieën op de schoolbanken bij juffrouw Germaine. En dat pakte mij altijd. Het was een plezier als ge zelf eens Jezus mocht zijn, dat overkomt u niet alle dagen. 

Paasboek

De laatste dag voor de paasvakantie was er één om naar uit te kijken. Ge had niet alleen het vooruitzicht van de kermis en de paasklokken, maar je kreeg op die dag ook het Paasboek, uitgegeven bij Altiora Averbode, als ze daar thuis een envelop met centen voor hadden meegegeven tenminste.  Als je thuiskwam rook heel het huis naar verse cirage. Op de koer waren alle deuren terug schoon groen opgeschilderd. Maar voor de vrouwen leek het wel alsof ze zelf aan hun eigen persoonlijke lijdensweg naar Golgotha waren begonnen. Tegen dat het paaszaterdag was, waren ze niet om aan te spreken. Maar de lijdensweg was bijna op zijn einde. Golgotha was in zicht, en meer nog, de dag van de verrijzenis.

Alles was dan schoon en proper. Op Goede Vrijdag mocht ik niet in mijn eigen bed slapen, maar moest ik bij ons tante in het grote bed gaan slapen. Op mijn bed lagen dan verse lentelakens en spreien. Daar mocht ge pas in liggen vanaf paaszaterdag. De voorbije maanden hadden de vrouwen thuis alles gekuisd. Van kelder tot zolder, van keuken tot varkensstal. Hadden ze het aangedurfd, ze zouden zelfs de varkens hebben gewassen. De vlaggen die de gevels van het dorp nu sieren tijdens de paasdagen, hingen er toen nog niet. Die zijn er pas gekomen na de viering van 1990. Maar de vensters stonden op paasdag al evenzeer te blinken.

De vasten is voorbij

Op paaszondag in de vroege morgen werd ik wakker van de kerkklokken en om zeven uur stond ik al in misdienaarskleren in de kerk voor de mis die op dat moment werd voorgegaan door Jules Pastoor. Onze eigenste pastoor zal dan vermoedelijk nog in zijn bed gestoken hebben. Maar lang kan hij niet zijn blijven liggen, want om acht uur stond hij daar al voor de volgende mis. 

Yvonne vertelde op zo'n momenten tegen Jules Pastoor altijd over de verborgen kerkschat. Dat moest op fluistertoon en tegen dat pastoor Hoegaerts binnenkwam werd er meteen gezwegen. Nog erger alsof Jules Pastoor en Yvonne en in een geheim complot zaten verwikkeld. Of het zou moeten zijn dat Hoegaerts meer wist. 

Jules Pastoor was ook een apart geval. Het was een neef van ons moeder en tante. Als ik 's morgens door het pastoorsstreukke op weg was naar school kwam ik hem wel eens tegen. Hij was dan al de mis gaan doen bij de nonnekes in de Zustersschool. Dan zei ik vriendelijk Dag Jules Pastoor, want zo spraken ze thuis altijd over hem. Slag op keer ging hij dan tot bij ons moeder om haar duidelijk te maken dat ik Dag Eerwaarde heer Jules Roggen moest zeggen. Ons ma zei dan dat ze het mij zou zeggen, maar in het geniep zei ze tegen mij: Zegt maar gewoon Jules Pastoor. 

De vasten was voorbij. Gedaan met naar chocolade en koekjes te kijken. In de vroege morgen mocht je paaseieren gaan rapen. En er lag bij ons ook wel wat anders tussen, zoals stripverhalen die netjes van boven op de houten palen van de waslijnen waren terechtgekomen. Die paasklokken hadden een fijne motoriek, zo op het eerste zicht. Maar in al die jaren heb ik ze curieus genoeg nooit gezien.  Tegenwoordig gebruikt de Kerk hiervoor vermoedelijk drones.

Als ik thuiskwam van de kerk, had de bakker al van die grote houten kisten gevuld met taarten binnengebracht. Ik zal niet overdrijven, maar dat kunnen zeker 30 misschien zelfs 40 taarten zijn geweest. Een mens at dan na Pasen een week lang alle overschotten op. Taart met abrikozen, flan met en zonder streepkes, pruimentaart met lattekes, rijsttaart, vidéevulling, kippensoep, varkensgebraad, champignonroomsaus en wat nog allemaal. Tot de voorraad begon te slinken en de smaak nu precies toch niet helemaal meer hetzelfde was. Dan vloog de overschot de mesthof in en de kiekens werkten dat in een ik en een gij naar binnen. Laat ze maar eten, dacht ge dan. Want elk jaar voor Pasen verdwenen er een paar van die beesten zelf in die hoge oranje kastrol om een paar dagen te trekken voor de kippensoep. 

En na de processie van paasmaandag zat het huis stampensvol met mensen die ge ofwel nog nooit had gezien, ofwel slechts één keer per jaar, namelijk op paasmaandag. Of het zou moeten zijn dat er iemand stierf in de familie en ge op een koffietafel ergens te lande die mensen eens een keer in een ander omgeving zag zitten. Ons ma en tante hadden zoveel neven en nichten dat ik bij een begrafenis niet altijd wist wie er nu juist gestorven was. Dat zag ik pas de volgende Pasen als er een stoel openbleef. 

Op paasdinsdag keerde de rust dan wat weer. De overschotten stonden al van 's morgens op de keukentafel. Als kind hunkerde ge naar het einde van de koers, want dan kon je terug naar de kermis. 's Avonds mochten we met ons ma en pa en pe mee langs de cafés. Bij Simons en Frees en de Korenbloem en bij Raas achter de kerk. 

Beloken Pasen

De week er achter, op Beloken Pasen, ging nog een processie uit en stonden er doorgaans nog twee kermiskramen. Thuis was er die dag opnieuw feest voor mijn meter Gusta en haar dochters, omdat Gusta altijd kwam meehelpen aan de paaskuis die ergens half weg januari begon. Ge moest de mensen die u hielpen ten slotte ook bedanken voor het geleverde werk. 

Maar ik was als kind maar al te blij als gang vier van dat menu gepasseerd was. Dan kon ik terug naar de kermis om nog wat staafkes af te schieten met het loodjesgeweer en mijn laatste punten voor de schietkraam te kunnen wisselen voor soldaatjes. 

Ik heb ze nog allemaal, die soldaatjes. Maar het eten is gelukkig al op.

Kris Merckx - 2017

Verhalen uit mijn jeugd

Unsplashed background img 2