grade

Onze vader in de hemel

- in memoriam

Pa las elke morgen de gazet. Zo vertelde hij dan iedere keer als we binnenkwamen wat er zoal in de gazet stond. Pakt ze maar mee, ze, zei hij, die gazet. Henriette leest dat toch niet meer. Pa las de stripverhalen en het nieuws en hij sprak met bewondering over de feuilletons die hij vroeger in de gazet las. Over “Wittand de Wolfshond”, “de varkensboer” en vooral over Max Havelaar. Dat had hij gelezen of stukken ervan althans. Het lezen en het tekenen, dat hadden we van hem. Hij begon ook altijd vanachter in een boek. Dan wist ge tenminste al of het de moeite loonde om het begin te lezen. Saidjah en Adinda, het verhaal van de kleine boer en zijn koe en de manier waarop de mensen met veel kapitaal en een slecht geweten de kleine mens het laatste afpakten dat hij nog had. Zoiets las ge alle dagen in de gazet, alle dagen. Maar ja, de wereld is niet altijd serieus voor de gewone man, de wereld is wijd op zijn einde. Bompa Marneffe die nog een echte Waal was, had dat dikwijls gezegd. Ge zult het zien, had die gezegd, ge zult het zien, manneke, ze zullen nog dans in de kerk, in zijn gebroken Vlaams. Dat was een slimme mens geweest die zijn tijd ver vooruit was.

Onze pa had schoppen van handen, dat was wel van de tonnen kolen te scheppen. Zijne rug was ernaar gekromd en hij zette zijn benen alsof hij nog altijd met een zak kolen op zijn rug rond waggelde. Als ik nog een klein manneke was, zetten we na de noen ons armen tegen malkaar en dan moest de ene den andere voor het eerst op tafel krijgen. Hij had de force van een boerenpaard, zo'n beetje zoals hun beste trekpaard was geweest dat op de bergop in Kumtich vier ton en half kolen naar boven trok, gelijk als dat het niks was.



Onze pa was een varkens- en een koeienboer, een kolenboer, en op het veld rijpten zijn bieten, zijn graan en zijn patatten. Hij was een autodidacte ornitholoog en een duivenmelker. Hij kon dus zeggen dat hij twee soorten beesten heeft gemolken in zijn leven, maar hij heeft nooit ofte nimmer iemand uitgemolken. Hij bracht het wintergraan als eerste naar Hakendover. Wintergraan waarvan de tegenwoordigste jeugd al zou kunnen denken dat ge het in de winter oogst. Alle graan bloeit in de lente en oogst ge in de zomer. Gelijk alles eigenlijk, behalve sneeuwklokjes, gelijk zoals het was in het begin en op het einde en alle eeuwen daar tussen in, gelijk appels en patatten en mensen en weet ik bij god wat allemaal. En a propos, duiven melkt ge niet echt natuurlijk.

Weet ge dat hij en ons ma elkander leerden kennen in Lourdes, ook al woonden zij eigenlijk al een half leven lang op een boogscheut van elkaar. Hij in Kumtich, zij hier in Hakendover. In 52 was het. Het duurde nog tien jaar voor onze pa en ma trouwden. Ze waren ondertussen al 35. Het eerste wat onze pa aan ons ma gaf toen hij haar in het ouderlijk huis kwam opzoeken, was een kanarie en dat was ook zo wat het laatst wat we voor hem gedaan hebben, zijn vogels gevoerd. En ze kregen drie kinderen, een schone oogst. Wij drieën gingen de gang van het leven en zo kwamen kinderen en kleinkinderen en vrienden en vriendinnen, en lieven en vrouwen en mannen. Zo gaat dat in het leven. Daar is niks aan te doen.

Pa, dat was eigenlijk wel een zuten mens, alsof het suiker uit zijn bieten hem zachter had gemaakt. Iedereen wist dat, Jos, die kon ge niet kwaad maken. Niet dat ge met zijn botten moest spelen, maar, een slecht rapport dat liet ik aan pa tekenen als hij van de trap kwam 's morgens, daar van achter in de gang naar den hof als hij terug kwam van zijn duiven. “Allé, de volgende kier beter, annes maken ze weal van hun oeëre.” Dat viel bij mij iets meer voor dan bij mijn twee ouder zussen. En zoals ne keer ne nieuwjaarsnacht als ik tegen de morgen binnenkwam en hij uren later aan mijn bed stond om mij een gelukkige nieuwjaar te wensen, maar er toch wel wist bij te zeggen dat ik serieus tegen mijn botten ging krijgen.

Pa hoorde slecht, zo op den duur, en dat ging van kwaad naar erger. Het was moeilijk om een woord te zeggen als ge al op voorhand zag dat hem het niet verstond. Zo kwam hij aan een hoorapparaat. Ik herinner me nog de dag dat hij het in het oor kreeg. Ik stapte door de grote poort binnen en daar onder de oude duiventil van onze bompa, waar de zwaluwen hun nesten hebben, daar stond hij, gelukzalig naar het gewemel van de kippen op het erf te kijken die tussen de kasseien en de kiezels op zoek waren naar iets eetbaars. En hij hoorde het nu ook, dat gekakel van de kippen, net zoals de slag van de dichtklappende poort bij mijn binnenkomen. Ik hoor de kiekens terug, zei hem. Maar al dat gezever van de vrouwlie ook

Onze pa die had wat met de zwaluwen, de vogels en de kiekens, die ter nog zaten van in den tijd van onze bompa, Sissen, dat was onze bompa langs moeders kant. De gespikkelde kiekens die ziet ge tot op den dag van heden op geen ander plaats meer. Hij sjokte van het lachen toen ne gast hem op een dag vroeg hoe lang die kiekens hier al rondliepen. Vijftig jaar, had hij gezegd. Waarop die andere: “Godverdekke, ik wist niet dat kiekens zo oud konden worden”.


Pa is eigenlijk 3 keer gestorven. Toen hij nog een kind was, hoorde hij eens 2 vrouwen tegen mekaar zeggen: “Ziet daar, dat is da menneke dat ze verleë week op de steenweg hebben doodgereden”. Ooit peinsde hij zelf dat hij dood was. Hij kwam beneden in de plek 's nachts, en voor het schap zat een engel voor een blauwe achtergrond. Het was een kameraad van mij die, we waren rond een uur of vier 's nachts nog bezig met een film te maken, op zijn knieën in een wit kleed, engelenvleugels en een aureool aan een stuk ijzerendraad voor het schap zat. Pa heeft hem toen bijkan letterlijk een breuk gelachen. Hij had plezier in zo'n stoten.

Pa had vroeger duiven, de beste van de omtrek. De Japanezen zouden er tegenwoordig een pak geld voor geven. Zijn beste duif, dat was den Uil. De Uil heette zo omdat hij 's nachts in den donker kon vliegen en altijd terug zijn kot vond. Zo'n beetje gelijk wij als we van de Korenbloem kwamen vrijdags- of zaterdagsnachts. En die duif hebben ze op één van de transports gepikt. Dat is hem altijd blijven tegen steken. 

Vandaag vlogen de duiven voor de laatste keer voor zijn ogen uit, langs de wijde blauwe hemel. Pa, ge zijt nu bij ons ma, bompa Marneffe, die van de statie, den dikke, uw moeder en uw vader, uw broer Jules en uw zuster Yvonne die ge allebei veel te vroeg moest afgeven. De dood viel als een moedeloze slaap over u, ge kon er niet aan ontkomen. Het is stil in u, nooit was uw rust zo groot. Nooit was ge zo standvastig stil als een noest uit hout gesneden blok, de jaarringen liepen onder uw ogen, uw handen als kromme dorre takken aan een oude olm. De schors verweerd van de ouderdom. Uw vogels bouwden hun nesten in uw kruin en tussen uw takken. De kippen dwalen wat dwaas rond tussen karige kiezelstenen op zoek naar wat uw handen altijd strooiden.

Ziet ge daar boven aan de hemel. Dat moet de uil wel zijn die terug komt, ontsnapt aan de mannen die hem hebben gevangen. Uw lijf en uw ziel, licht gelijk een lege jeneverfles en een pint met een bodemke bier aan de toog in de Korenbloem. Het begon al een tijd dieper in u te knagen, gelijk muizen in een oude zak graan. Maar de uil, uw beste duif, neemt u mee naar boven, niet naar Bordeaux of Barcelona, maar heel ver, waar alleen uw duiven geraken. En ze dragen u mee en alle vogels van uw kot omringen u, ze fluiten dat het een lieve lust is. En de zwaluwen draaien kringen in de lucht en scheren over het erf. Ze pakken u mee naar een land waar altijd de zon schijnt, en de regen en de kou niet aan u kunnen vreten. De klok daarboven op het keukenschap, die voor de duiven ja, die liep de tijd altijd voor. Nu valt ze stil. Ze heeft de laatste ronde gehaald. Ik steek uw ringetje op zijn plaats in het duivenmachine. Ziet ge het? Nu zijt gij aangekomen na uw laatste etappe. Ge hebt meer dan een schone duivendiploma gewonnen. Gij was ons beste duif van het kot.

Maar pas op, gij zijt niet echt dood. Zo moogt ge dat niet bezien. Gij en alleman dat hier voor u zit, en ons kinderen, en de kinderen van ons kinderen en hun kinderen en zo verder, mensen die nu nog niet geboren zijn, ons nageslacht. Allemaal pakken ze iets van u mee. De dood snijdt u de adem af, maar niet wat ge was. Sterven, mijne beste, zult ge nooit ofte nimmer helemaal. Gelijk een zak zaaigraan, die ge uitstrooit over het veld. Het nieuwe graan groeit en zo gaat dat zijne tijd voort. Zo gaat het in de geschiedenis der mensen. We pakken allemaal uw verhalen en uw zorgen mee, uw twijfels en de zaken die ge schoon en goed vond. En iedere dag zullen we daar een lach van op de mond krijgen. Als we denken aan hoe dankbaar ge altijd was, en hoe fier op uw kinderen en kleinkinderen. Uw wintergraan is gezaaid, pa, het rijpt en de halmen groeien. Uwe oogst is rijk. En als we onze moed even verliezen, dan zullen we voor uwe Sint-Antonius bidden om hem terug te vinden, en dan rekenen we op uw voorspraak, want onze vader is in de hemel nu.


Kris Merckx - 2016

Verhalen uit mijn jeugd

Unsplashed background img 2