grade

 Waarom ik
Moeder Maria
schilderde

Over gewone mensen, hun geloof en hun twijfels

Elke avond deed ik minstens drie gebedjes voor ik de ogen sloot. Wees gegroet, Maria, vol van genade enzovoort. Als kind snapte ik van die tweede zin niet veel, maar dat maakte het niet minder belangrijk natuurlijk. Elke avond en ook ‘s morgens als ik het niet vergat, zei ik op die manier drie keer goeiendag tegen moeder Maria, die heel lang geleden geleefd had, in Juzekes tijd. Ze was ten slotte de moeder van Onze Lieve Heer, maar tegen haar zoon zei je nooit gewoon “Wees gegroet Jezus”. Voor hem was er een meer ontzagwekkend gebed geschreven dat met Onze Vader (zonder enige groet aldus) begon. Enfin, geschreven, hij had het naar het schijnt zelf zo aan zijn kameraden geleerd.

Dat de Vader en Zoon eigenlijk één en dezelfde persoon zijn, zo leert de regel van de Heilige Drievuldigheid ons, maakte het er niet makkelijker op voor het menselijk begrip. Maria was moeder en maagd tegelijk en Jezus leerde zijn vrienden dat ze tegen hem “Onze Vader” moesten zeggen terwijl hij zelf geen echte kinderen had en zijn officiële vader een timmerman uit Nazareth was. Dat moet sowieso een goei ziel geweest zijn, die Jozef, want veel vrouwen zouden met zo’n verhaal niet moeten afkomen bij hun vent. Onze vader heette ook Jozef, ook al zei iedereen Jos van Sissen tegen hem. Hij was een even goedmoedig man als die timmerman uit Nazareth. Onze pa (ondertussen ook in de hemel) zei altijd dat ge niet alles moest slikken van die affaires, want dat ze hen in de tijd veel ijle (zever) hadden wijsgemaakt. Maar dat durfde hij toch niet luidop te zeggen als ons ma in de buurt was.

Jefke, de man van mijn meter Gusta, die in Tienen aan de Albertvest, vlak over de GB, woonde, kon zijn vrouw met zo’n commentaar serieus de luster in jagen. Iemand uit een rolstoel zien opstaan in Lourdes, dat kan, zei hij, maar ik heb nog nooit iemand met één been zien vertrekken naar Lourdes en met twee benen zien terugkomen. Gusta kreeg een vuurrode kop als hij er nog een schep aan toevoegde en zei dat iemand met een afgezette borst niet met een volle boezem zou terugkomen.

Nochtans had ons ma ook zo haar twijfels, zo nu en dan. Lourdes en die verschijningen, vertelde ze wel eens aan de keukentafel, dat is volgens mij dikke zever. Truken van de foor, dat is een arm meisje dat dat verkondigd heeft, maar daar geloof ik niet veel van. Nochtans was Lourdes de enige reisbestemming die ons ma ooit heeft voltooid. Meer nog, in 1952 leerde ze daar ons vader kennen en tien jaar later trouwden ze. 

Ze bracht in dat jaar dat ze ons vader leerde kennen, uit die plaats die zonder Bernadette Soubirous niet meer zou gebleven zijn als een doordeweeks boerengat in het Zuiden van Frankrijk, ook een beeld van Onze-Lieve-Vrouw mee. Het mag een wonder heten dat dat beeld de terugreis heeft overleefd, want de bussen en treinen in die tijd konden serieus schokken. Thuisgekomen bouwde Rik de metser met natuurstenen blokken een grotteke van Lourdes tegen de gevel van de schuur. Niet zo’n klein ding, maar echt een grot zoals er een nog grotere te vinden is in Oostakker.

Als kind ging ik één keer per jaar samen met pe (ons tante) met de bus mee naar Oostakker. Jules Pastoor deed in de micro een hele paternoster aan gebeden zodat ik content was dat Oostakker eindelijk in zicht kwam en we konden uitstappen. Maar ook daar ging het van de ene mis, naar het andere lof. Op de terugweg nam ik de micro over en mocht ik de hele reis lang moppen voorlezen van briefkes van De Druivelaar, die ik voor die gelegenheid een jaar lang spaarde in een plastieken doosje. Achteraf bezien moet die terugweg voor de meeste mensen op die manier evenzeer een serieuze kruisweg geweest zijn. Maar bon, zelf vond ik het, toen althans, plezant, die terugweg.

Aan de muur in de keuken hing een bordje met Hoog en schoon in ons gemoed, staat uw beeld o moederke goed. Naast die tekst stond een klein kapelleke afgebeeld zoals je er in de straten van de meeste dorpen heel wat tegenkwam in die tijd. Als ons moeder aan de strijk zat onder het raam in de keuken, speelde ze op een oude ITT-cassetterecorder cassetjes met liedjes zoals Liefde gaf u duizend namen. Dat was niet zo maar het eerste het beste liefdesliedje van een Vlaamse schlagerzanger, maar het stond al jaren in de top tien, zo lijkt me, van marialiedjes. Op de zustersschool trommelde moeder-overste zuster Jeanne ons één keer per week op om in haar klaslokaal in groep kerkliedjes te oefenen en die marialiedjes maakten daar deel van uit.

Waar men gaat langs Vlaamse wegen, oude hoeve, huis of tronk,
komt men u, Maria, tegen, staat uw beeltenis te pronk.
Lacht ons toe uit lindegroen, bloemenkrans of blij festoen.
Moge 't nimmer hier verand'ren
O, Gij Lieve Vrouw van Vlaand'ren
O, Gij Lieve Vrouw van Vlaand'ren

Ons moeder zong stilletjes mee tijdens het strijken en haar strijkijzer leek de maat aan te geven. Als klein manneke zat ik in de zetel in de keuken en keek ik al spelend naar haar. Dat strijkijzer staat diep in mijn geheugen gebrand en dat beeld van ons moeder achter haar stijkplank en dat lied al evenzeer. Wat is een tronk, vroeg ik aan ons moeder. In mijn hoofd zag ik de kerststronken met plastieken dennenboompjes van IJsboerke of VDB-ijs die vlak voor Kerstmis in onze diepvries lagen, maar dat was het niet. Ons ma stelde het voor als resten van bomen zonder takken. Daar kon ik me iets bij voorstellen en ik zag de knotwilgen voor me die achter Georges van Louiske in de Biebeemd groeiden. Als ik door het raam van de keuken keek, kon ik ze met enige goede wil zien staan daar van achter tussen de bomen in het beemd.

Op paaszaterdag trommelde pe mij al vroeg uit mij bed om de Lieve Vrouw in de kerk te gaan aankleden. Opgelet, niet dat ze dan juist uit haar bad kwam en dat we haar kleren moesten aandoen, dat zou wel wat oneerbiedig zijn geweest, maar ze kreeg speciaal voor de paasdagen wat andere juwelen en een andere kroon. Die juwelen lagen in een kartonnen margarinedoos in de sacristie. Marcel haalde ze voor ons uit de kast. Toen ze nog goed te been was, kroop ons pe zelf op de offerblok om daar al wiebelend Onze-Lieve-Vrouw te tooien. Later moest ik het in haar plaats doen. Moeder Maria kreeg dan haar schoonste kroon, een ketting en rond haar pols waarop de kleine Jezus was gezeten, een wit touwtje met een gouden sleutel.

Alhoewel ik net zoals ons vader al eens stilletjes zei, niet veel van al die affaires geloof, was Moeder Maria, een stuk van ons leven. Ze was een stuk nabijer omdat ze zelf ook moeder was zeker en omdat je weet dat je bij moeders altijd terecht kan als je u op één of ander manier in de miserie hebt gewerkt. Je krijgt dan wel een litanie rond uw oren, maar uiteindelijk kiezen ze toch altijd uw kant. De Zaligmaker die in de kerk vanaf zijn troon prijkte, was een stuk minder bereikbaar. Vandaar dat ik me altijd wat meer op mijn gemak voelde bij Jozef, in hem zag ik mijn eigen vader.

Ons vader en ons moeder zijn nu allebei in hun hemel. En als die hemel zou bestaan, ik wens het hen vanuit de grond van mijn hart toe, dan staan ze nu voorzeker gelukzalig uit de hemel te kijken. Kijk Jos, allé kijk dan toch, ziet eens, Kris heeft dat beeld van Onze-Lieve-Vrouw geschilderd. Potverdekke, dat is schoon gedaan. Weet ge, daarvoor doet een mens het. Voor dat gedacht alleen. In de meimaand moet ge uw moeder en uw vader al eens een plezier doen, met wat ze zelf echt schoon vinden. Hoog en schoon pronkt ze daar nu, in de grot. En vanuit hun hemel, zwaaien en lachen ons ouders, zo stel ik me dat dan voor, ook al geloof ik niet in al die affaires. 

Maar zonder die ene reis van ons moeder en ons vader, zonder dat beeld van Maria daar hoog en droog in de grot, zou ik er nooit geweest zijn. Daar weegt een lekske verf niet tegen op, tegen zoiets.

Lees ook: https://www.hakendover.be/1-29-Zoek.491

Kris Merckx, 20 en 21 april 2018





Verhalen uit mijn jeugd

Unsplashed background img 2