grade

Albertvest 46

39 en 99. Dat was ons beider leeftijd toen Gusta stierf. Zestig jaar verschil. Gusta ging ver op pensioen toen ik mijn eerste papfles dronk. Zo lang kan een mensenleven duren, en dat nog lijkt het alsof zij of wij iets van elkaar gemist hebben. Omdat het net iets te kort was. Jaren vliegen. Als kind had ik al snel door dat in de wereld van de grote mensen niet iedereen op dezelfde manier werd bekeken. Er waren mensen die door hun functie of positie met respect behandeld werden: meneer doktoor, de nonnekes van de zustersschool, meneer pastoor... Er waren natuurlijk ook mensen die hun eigen nogal hoog inschatten en om die reden respect afdwongen. Of ze dat ook kregen... dat was en is andere "quelque chose".

Binnen de eigen familie waren er namen die altijd met een zweem van bewondering, ontzag en stille eerbied werden uitgesproken. Zo waren er bomma en bompa zaliger. Maar ook onder de nog levenden sprongen sommige namen boven de anderen uit. Dat voelde ge als kind en dat behoefde geen uitleg. Zo was er bijvoorbeeld Servaes, mijn moeders neef, door wat hij allemaal kon, maar voorzeker ook Gusta, mijn meter. 

Gusta, die had altijd een slag voor op de anderen. Gusta, dat was de dochter van mijn moeders peter. En dat was toch altijd zo'n goeie peter geweest. En ongetwijfeld om die reden kreeg ik Gusta als mijn eigenste meter toegewezen. Ik heb het me nooit beklaagd al heb ik zelfs nooit een nieuwjaarsbrief voorgelezen voor zover ik me kan herinneren. De paaskuis was een bizarre gewoonte van de vrouwen in het dorp waarbij elke hoek en kant van het huis werd gekuist, ook al kwam er letterlijk geen kat op een gans jaar voorbij. Pasen was de ultieme deadline en de vrouwen vlogen de kamers door met stofdoek en vod, borstel en dweil. Meubels werden geboend en vloertegels opgeblonken, tapijten gereinigd en vensters gewassen... Zelfs de dieren en hun stallen ontsnapten niet aan de nietsontziende kuisijver van de dolgedraaide huisvrouwen. Plastieken dozen werden gevuld of leeggemaakt en opnieuw gevuld met andere brol die ge eigenlijk niet meer nodig had, maar toch niet graag wou weggooien. Propere lakens, propere gordijnen, propere kiekens en propere stallen. Alles vers en witgewassen of lentegroen en fris geverfd. Elke stoffige hoek werd afgestoft zodat er plaats vrij kwam voor ander stof. Deuren en ramen werden geschilderd alsof het leven van de bewoners er van afhing. En de dag voor Pasen geurde alles buiten naar bloesem en nieuwe verf en binnen naar de boenwas. Ge moet van Hakendover zijn om dit ten volle te kunnen inschatten. Het leek wel alsof de vrouwen van het dorp zich wentelden in een vorm van solidaire zinsverbijstering veroorzaakt door stress die ze zichzelf aandeden. Ge moet tenslotte iets hebben om over te klagen. En de dag van Pasen zelf lagen de vrouwen moegetergd door hun eigen botte kuisgedrag murw en terneergeslagen in de zetel. Te moe om een stuk taart over de lippen te krijgen. Geen stress vroeger? Jongens toch. En Gusta die kwam altijd wat helpen kuisen in die periode, maar heel die gekte had geen impact op haar. Het gleed van haar af. Ze zweeg en voerde uit.

Gusta speelde babysit als ma en pa een zeldzame keer niet thuis waren 's avonds, ook al gebeurde dat zoals gezegd niet veel. Gusta kreeg bij elk bezoek van ons aan haar naast een doos eieren en een emmerke melk ook een stapel overalls cadeau. Zij was de persoonlijke verstel- en/of hersteldienst van onze boerderij. Op het vlak van gaten dichten en overalls herstellen dan toch. En zo viel iedereen in zijn rol - voor mij als kind.

Gusta woonde in Tienen, aan de Albertvest 46. Waren onze boerderij en de huizen in Hakendover voor mij het zinnenbeeld van een dorpswoning, dan was het huis van Gusta en Jefke aan de Albertvest voor mij dé - u hoort het goed - dé stadswoning. Een huis in de rij, smal en hoog, een voortuin. Wat voor mij als kind het grootste verschil uitmaakte tussen een stadswoning en een dorpswoning, heb ik daar bij Gusta in de kelder ontdekt. Een kelder, dat was voor mij iets dat onder de grond moest liggen. Vervolgens had ge de kamers, daarboven de slaapkamers en helemaal van boven de zolder. Bij Gusta was dit compleet anders. Daar moest ge naar de kelder om in de tuin te raken. Dat klopte in mijn ogen niet helemaal. De wc, dat was bij ons toenmalig buiten. Bij Gusta was de wc in de kelder, vlak tegenover de chauffageketel. Zo'n groot ronkend ding. In een dorp waren er steenkoolkachels, chauffageketels dat bestond in mijn ogen op de boerenbuiten niet. Daar - in die kelder (ik ging daar met plezier naar het toilet) - heb ik ook de spaarzaamheid en het geloof in duurzaamheid van Gusta ontdekt. Ook al was haar winkel op dat moment al jaren dicht, dan nog vond je in de kelder alle koopwaren die ze van de sluiting van haar winkel had bewaard. Ik zie de dozen Sunlight-zeep nog voor mijn ogen. Een echt gelijkvloers was er eigenlijk ook al niet. Ge moest altijd minstens een paar trapkes doen vooraleer ge in een kamer zat. In de kamer die aan de straatkant uitgaf, heeft Rita me als kind de eerste lessen sterrenkunde gegeven, maar dat doet nu natuurlijk niet veel ter zake. In de woonkamer stond een lage roodbruine bank waarop Jefke altijd lag te rusten. Ik zie hem daar nog liggen, met zijn bril met goudkleurig montuur en zijn zwarte pots op zijn kop. Zijn bruin geruite sloefen voor de zetel. En daarachter de eetkamer en, helemaal inspirerend voor mij als kind, een schuifdeur om naar de keuken te gaan. Dat deed mij denken aan de SF-films op TV waar de deuren geen klinken hadden, maar automatisch openschoven als ge er voor stond. Een ideale plaats om Star Trek of Space 1999 na te spelen. Daar keek ik altijd naar op TV en op mijn viewmaster. 

Bij Gusta gingen we langs na elk bezoek aan de GB, daar recht tegenover aan de Albertvest. En natuurlijk ook bij de feestdagen. Na het Sinterklaasfeest in het Xaverium in Tienen, mocht ik mijne sinterklaas gaan halen bij Gusta. Dat feest deed mij eigenlijk niet zoveel meer, want ze voerden daar toch jaarlijks hetzelfde verhaalke op, maar van daaruit te voet naar Gusta gaan en vervolgens mijn sinterklaas krijgen, dat was beter dan de goede man in volle glorie aan het werk te zien op een podium.

Bij Kerstmis kwam Gusta tot bij ons thuis en vroeger ook bij het feest van Beloken Pasen. Bij Nieuwjaar en Tienen-Kermis, was het aan de Albertvest te doen. Gusta kende mijn smaak en of het de anderen beviel of niet, speciaal voor mij maakte ze spaghetti. Met naast de benodigde saus, ook rollekes hesp, hardgekookte eieren en kleine zwanworstjes. Niet meteen haute cuisine of gastronomie van de zevenste hemel, maar wie klaagt er over. Zo lekker als daar, zal ik het nooit meer krijgen. Nog in geen honderd jaar...

Speelgoed had ik daar niet nodig. Urenlang heb ik daar in het geniep het inlegwerk van de tafel herschikt en herschoven. Zo van die kleine houten vierkantjes, gelijk op een dambord. Ze heeft het nooit geweten, of althans nooit iets van gezegd. Gusta, was een beetje een kosmopoliet in eigen land. Voor zover ik weet, woonde ze in Rossoux-Krenwick, Landen, Lier, Hakendover, Tienen... Ge moet het maar doen. Gusta was zo een van die oude bomen die ge wél mocht verplanten. Ze kon overal gedijen. 

Gusta: streng en standvastig, geworteld in het geloof, maar ook flexibel en jong van geest. Dat ziet ge op honderd jaar tijd niet veel mensen haar na doen...


Verhalen uit mijn jeugd

Unsplashed background img 2