grade

Over Boonke, legumen en beenhouwers

Boonke komt om zijn loontje

Bij Boonke vond ge al wat naam had, zei mijn vader altijd. Ik ging er graag met hem mee naar toe. Zo'n winkels ziet ge in deze tijd niet meer. Boonke, sprak net zoals veel echte Tienenaars, Frans, maar natuurlijk ook een mond Nederlands. Van Tienen tot en met Hélécine wist ge nooit zeker wie echt Waal was van oorsprong. En aan zijn bijnaam kon ge het zeker al niet horen. Boonke was een redelijk lange man en had hij niet altijd zo'n blauwe cache poussière (stofjas) aan gehad, dan had hij op het zicht ook voor de apotheker uit Pippi Langkous kunnen doorgaan. Als kind stelde ik me voor dat het spreekwoord Boonke komt om zijn loontje wel van zijn naam moest zijn afgeleid.

Hij had in zijn kleine winkel bij het begin van de Langstraat, schuin over het zwembad, meer steken dan ge nu in de Brico en de Gamma bij elkaar vindt. Ge had het maar te vragen en hij toverde het uit één van zijn houten rekken die tot aan het plafond reikten, of hij moest er even om gaan in zijn magazijn. Een kassa had hij niet. Hij rekende alles met de hand uit in een soort rekenboek. Maar eerst moest uw gerief op een authentieke weegschaal gewogen worden. Als het vijzen of nagels waren tenminste. Daarna pakte hij het keurig in in een stuk gazettenpapier of een blad uit één of ander reclameboekske, gelijk als was het een frietzak.

Het laatste wat ik er van 'zijn leven' nog gekocht heb, was een gaffel. Daar hadden ze per slot van rekening de beste marchandise: emmers, langbouwgetuig, nagels en vijzen, maar ook borstels en pinnekesdraad. Ze hadden er alles, toch zeker van dat gerief. Ge moest er natuurlijk niet gaan voor fruit of legumen. Goed gerief kent tijd noch naam... Van welk merk was van geen tel, als het maar goed was. Zo ging dat. Ook op de winkel had de tijd geen vat. Als ge voor zijn toonbank stond, voelde ge het zonder dat een mens er iets van zei. Waarom vernieuwen als ge het al een heel mensenleven zo doet?

Wat verderop aan het oud weeshuis was nog een andere winkel waar de tijd in stilte aan was voorbijgegaan. De lange toonbank en de naar bruin zeep ruikende rekken, deden me altijd wat stil worden, alsof mijn kinderhoofd voelde dat ge soms beter kunt zwijgen. Maar de drogistzaak is minder in mijn hoofd gegrift dan Boonke, omdat ik in die winkel maar af en toe kwam op een dinsdag in de vakantie, als we met ma naar de markt gingen in Tienen.

Legumen en een lap vlees

Rik van de Végé woonde in Vossem. Niet dat dorp bij Bertem, maar een kasteel achter de spoorwegbrug in Hakendover. Hij hield zich bezig met de jacht en omdat hij zijn fazanten en patrijzen uitzette op land van mijn pa, brachten zijn jagers af en toe een geschoten haas of fazant bij ons binnen. Niet dat we daar op zaten te wachten, want het was altijd een beetje vreemd om zo'n fazant met zijn dode kop uit een emmer te zien hangen. Waarvoor heeft zo'n beest dan toch geleefd? En onze hond kon er ook al niet aan uit. Zo'n beest dat niet meer beweegt als ge er aan snuffelt. Waarschijnlijk rook hij de dood nog voor het ons gewaar werd. Beesten zijn daar veel straffer in dan mensen.

Rik had in Tienen in de Nieuwstraat over Jans een fruit- en legumenzaak. Dat was een vaste statie bij het wekelijkse marktbezoek van ma. De fruitkisten en de bakken met kolen en poten reikten tot op de rand van het trottoir. Een madame die gezien haar formaat even goed in een bakkerij had kunnen werken, liep af en aan van de fruitkisten tot aan de weegschaal terwijl ze de bestellingen van de klanten luid roepend herhaalde. 

Vijf tomaten en een groen kool voor madame...

Bij het begin van haar tocht stopte ma aan de slagerskraam vlak over Flor Baes. Zo'n langgerekte kraamvrachtwagen, of hoe noemt ge zo'n spel, aan de buitenkant bezet men een dunne aluminiumplaat met een of ander ruitjesmotiefke van afwisselend naar links en rechts gedraaide streepkes in. De vriendelijke man zag er helemaal uit gelijk een slager. Of om het anders te zeggen: sinds hem weeg ik alle slagers af aan zijn profiel. Hij was kort gebouwd met een mollig gezicht en een buikje waarop ge net geen pint kunt zetten. Maar echt dik kon ge hem niet noemen. Een slager, ja, maar dik? Net zoals mijn pa kamde hij zijn laatste sprieten lang haar over zijn blote schedelpan alsof het nog zou kunnen verdoezelen dat het kalen al meer dan 20 jaar aan zijn einde was gekomen. Mijn ma liet haar bestelling altijd weg zetten om ze op het einde van haar toer gaan op te halen. Vooruitziend zijn die vrouwen, dat zeggen ze toch graag van zichzelf.

Als ma haar ronde langs de kramen had gedaan, dan was het meestal al ver over de noen, ging ze nog langs de UNIC of de Vleeshal. Zelf ging ik liever in de Radar of in de Vleeshal binnen, want daar lagen stripverhalen. En ook al vroeg ik er nooit om, hoopte ik toch altijd in stilte dat ik er één mocht meenemen. Een Bessy of Karl May, was al goed genoeg voor mij. Als onze auto aan het Paardenwater stond, passeerden we langs de beenhouwer en de gazettenwinkel. Die beenhouwer, daar ging ze soms ook binnen voor biefstuk en spek. In de vitrine van de gazettenwinkel lagen altijd de laatste nieuwe Rode Ridders, dat was spek voor mijn bek. Ik weet niet juist hoe die straat daar heet, maar het is dat korte stukske tussen de oude post en de brug van het Paardenwater. Winkels die er in de korte eeuwigheid van mijn jeugd altijd zijn geweest, maar nu enkel nog standhouden in het hoofd van mensen gelijk ik of nog een stuk ouder... het lijkt bij god alsof de tijd hen heeft ingehaald.

Kris Merckx

Verhalen uit mijn jeugd

Unsplashed background img 2