grade

 Hart voor bouwen

Tot driemaal toe gaven de drie maagden de opdracht om een kerk te bouwen, ook al hadden de engelen, of duivels, wie zal het zeggen, al hun metselwerk met geweld kapot geslagen. Plezant is dat niet, om het werk waar ge een tijd mee bezig geweest zijn, de vernieling te zien inslaan.

Maar bon, als ik met mijn vader en mijn moeder ‘s avonds mee ging melken, dan passeerden we die twee eerste bouwplaatsen van de kerk. Zeg nu zelf, achteraf bezien staat de kerk toch beter waar ze nu staat. Stel u voor dat ge elke zondagmorgen tot vanachter op het Begijnhof zou moeten wandelen om daar, achter het Gazettemanneke over een veldweg richting bos te moeten stappen om naar de mis te gaan. Ge zoudt voor minder thuis blijven. Zelfs nu, met de kerk in het midden, ziet ge al niemand meer naar de kerk gaan. Laat staan dat ge daar achter het Gazettemanneke of aan de pomp op naar de kerk zou moeten gaan. Dan ligt ze beter waar ze nu is.

Bouwen dat zat er bij mij al van jongs af aan in. Achter de blauwstenen trap op de binnenkoer lag een hoop zand waar Rik af en toe een deel van wegschepte als er op de boerderij ergens een gat in de muur moest worden dicht gemetst.

Met mijn kruiwagen en mijn tractor, speelde ik ook gedurig in dat zand. Maar omdat de kippen altijd mijn zandkastelen en dorpen uit elkaar gritselden, zag ik niet beter dan er een muur rond te bouwen.

Ik sprak met Chris Tielen af dat hij op woensdagnamiddag met zijn go-cart tot bij mij thuis zou komen om een huis te bouwen rond die hoop zand. Ik weet niet meer of hij toen gekomen is. Maar zelf was ik gedurig in de weer met metsen. Vanachter onder het karhuis ging ik met mijn kleine oranje kruiwagen bakstenen halen. Vervolgens legde ik een laagje op de grond. Daarna mengde ik zand met wat water van de pomp tot ik een soort van zandcement kreeg. Met mijn truweel trok ik die eigenbereide mortel open over een laag stenen. Met een hamer sloeg ik de stenen wat vast.

Twee zaken deden me voortijdig afzien van mijn bouwplannen. Met die hamer had ik de nagel van mijn linkerduim uitgeslagen en dat deed meines pijn. Ge moogt er gerust zeker van zijn. Toen ik op een avond in de zomer bakstenen ging halen in het karhuis, ontdekte ik dat er tussen die stapels stenen krekels huisden. Die beesten zorgden er voor dat ik voortaan afzag van bakstenen en muren metsen.

Toen ik in het laatste klasje van de kleuterklas zat, en op woensdagmiddag met de rest van de kleuters naar huis ging, schrokken we ons een bult. Tegen de muur van de zustersschool was een huisje aangebouwd dat al enige jaren leegstond. Daar stond nu plots aan het hek van de verwilderde tuin een oud vrouwke. Haar grijze haren waren plat achteruit gestreken. Uit haar mond staken twee lange tanden en haar diepe donkere ogen lachten naar ons.

In het streukke is een heks komen wonen, zei ik tegen ons ma als ik thuiskwam.

Toen ons pe (ons tante) ‘s avonds thuiskwam van haar werk in Blankedale, een beschutte werkplaats, vertelde ze dat Warke en Florine en haar moeder in het streukke waren komen wonen. Warke en Florine hadden allebei een handicap en werkten bij haar in Blankedale. Hun kinderen Luc, Nancy en Sandra zouden voortaan bij ons naar school komen.

Dat menske was dus geen heks, maar qua uitzicht deed ze er wel aan denken. Ze miste alleen de zwarte cape. De eerste dagen verwachtten we nog altijd dat ze ons een appel zou aanbieden. Maar dat gebeurde niet.

Ons tante, die de boekhouding deed bij Blankedale, en een paar van haar collega’s beredderden het reilen en zeilen bij Warke en Florine. Zo kwam het dat ze de bouworde contacteerden om het huisje in het streukke op te kalefateren. Overdag waren die vrijwilligers daar aan het werk in dat huis. Als ik me goed rappelleer, moesten Warke en Florine enkel de bouwmaterialen bekostigen, maar de werkuren waren voor niet. Omdat die mensen van de bouworde ook slaap- en eetgelegenheid nodig hadden, stelden ons ma en ons tante voor om ze bij ons thuis op de boerderij onder te brengen. Zo zat ik dus al snel tussen bouwvakkers. Ook al waren dat geen echte metsers en loodgieters. Daar zat volk van allerlei slag tussen, maar het fijne kwam ge niet altijd te weten. Zo aten en sliepen bij ons thuis op de boerderij ex-gedetineerden, mensen met psychische problemen of wat jonge en overjaarse hippies…

Jan, William, Richard… die namen zijn me bijgebleven. Mijn zus werd zelfs verliefd op één van die jongens, maar dat was, zoals ze het zouden zeggen in die tijd, niet meer dan een kalverliefde.

De vonk bij mijn zus en de vonk voor het metsen bij mij was overgeslagen toen we daar op een middag wat metsinitiatie kregen. Het huis van Warke en Florine, daar heb ik voor de eerste keer in mijn leven, ik was een jaar of zeven acht, muren geplakt. Veel stelde het niet voor, maar ik zie me zelf daar nog bezig. Ik kan het stukske muur dat ik geplakt heb, nog altijd aanwijzen, ook al ben ik in geen jaren in dat huis binnen geweest.

Luc, de zoon, zat bij mij in de klas en was op slag mijn beste kameraad. Maar ook Warke en Florine, en tot op de dag van heden hun dochters Nancy en Sandra… bleven onze familie dankbaar en trouw.

Dat had niet alleen met dat metsen alleen te maken, dat moet gezegd. Warke had op zeker moment een ruilhart vandoen en dat kostte natuurlijk een bom geld. Ons ma en tante hadden via ziekenzorg een reeks benefieten georganiseerd om die kosten te drukken. Restaurantdagen en tombola’s. Sandra haar man, die in de metro in Brussel werkte, verkocht jaren later, uit pure dankbaarheid, nog altijd kaartjes voor de jaarlijks tombola van Ziekenzorg in zijn loket in de ondergrondse te Brussel. Zo gebeurde het dat een hoop prijzen van Ziekenzorg Hakendover de deur uitgingen met de post, naar alle hoeken van het land.


Kris Merckx, 30 juli 2019.








Verhalen uit mijn jeugd

Unsplashed background img 2