Hallo, deze site is gebouwd door Kris Merckx. Heb je zelf digitale hulp of ondersteuning nodig als particulier, bedrijf, VZW, school of vereniging? Bel me op 0497 94 40 81
Charles De Coster, een Belgische schrijver met Vlaamse en Waalse roots, is vooral bekend door zijn meesterwerk La Légende et les aventures héroïques, joyeuses et glorieuses d'Ulenspiegel et de Lamme Goedzak au pays de Flandres et ailleurs. Dit werk, hoewel aanvankelijk controversieel in België, wordt tegenwoordig beschouwd als het grondleggende werk van de Belgische literatuur, waarin de ziel en geest van Vlaanderen worden belichaamd door de figuur van Thyl Ulenspiegel, de verdediger van de vrijheid tegen de Spaanse onderdrukking.
Echter, vóór dit grote werk had De Coster al naam gemaakt met de publicatie van Légendes flamandes in 1861. Deze verhalen, doordrenkt met folklore, mystiek en innovatieve literaire technieken, vormden een belangrijk laboratorium voor de stijl van de auteur. Een van de meest opmerkelijke verhalen uit deze verzameling is Blanche, Claire et Candide, dat de miraculeuze stichting van de kerk van Hakendover door drie jonge maagden beschrijft.
De Coster kwam in aanraking met het verhaal van Hakendover toen hij werkte in het Rijksarchief van België, waar hij toegang had tot oude teksten en kronieken uit de 16e eeuw. Tijdens zijn werk ontdekte hij een oude middeleeuwse legende over de stichting van de kerk van Hakendover. Die legende sprak hem bijzonder aan, en hij besloot het verhaal te bewerken en te publiceren.
Op Paasmaandag 24 maart 1856 bezocht De Coster Hakendover om de beroemde processie te zien die elk jaar pelgrims naar het dorp trekt. Geïnspireerd door deze ervaring, schreef hij kort daarna twee afleveringen voor het tijdschrift Uylenspiegel. De eerste aflevering, getiteld Les Pèlerins d’Hockendover: I. Les Trois Pucelles, werd gepubliceerd op 4 mei 1856. Hierin introduceerde hij de legende van de drie maagden die de kerk zouden hebben gesticht. Een week later, op 11 mei 1856, volgde de tweede aflevering onder de titels II. Les Pèlerins en III. La Procession, waarin hij de processie zelf en de toewijding van de pelgrims beschreef.
Deze afleveringen markeerden een belangrijk moment in De Costers carrière, omdat ze de basis legden voor het verhaal Blanche, Claire et Candide in zijn latere werk Légendes flamandes. In dit verhaal zien we hoe hij met subtiliteit het mysterie, de poëzie en een vleugje humor samenbrengt, waardoor het wordt beschouwd als een klein juweel binnen zijn literaire oeuvre. De Coster was niet alleen gevoelig voor de volksdevotie, maar wist deze ook prachtig te verweven in zijn teksten, wat later tot uiting zou komen in zijn meesterwerk La Légende d'Ulenspiegel.
Het verhaal
Het verhaal "Blanche, Claire et Candide" speelt zich af in het jaar 690 en gaat over drie jonge vrouwen, Blanche, Claire en Candide, die behoren tot de adellijke familie van keizer Octavianus. De drie vrouwen hebben zich aan God gewijd en hebben hun maagdelijkheid gezworen. Hoewel ze veel bewonderaars hebben, blijven ze trouw aan hun geloften.
Een Arabische prins, verliefd op de jongste van de drie, Candide, laat zich zelfs dopen om haar hart te winnen. Wanneer zijn pogingen om haar liefde te winnen falen, pleegt hij zelfmoord voor haar deur. Hoewel Candide medelijden met hem heeft, voelt ze zich toch schuldig omdat ze de kus die hij haar gaf als een schending van haar toewijding aan Jezus beschouwt.
De drie zusters worden door een menigte bewonderaars achtervolgd en besluiten daarom hun stad te verlaten. Ze horen een stem die hen opdraagt om de stad te verlaten en God zal hen beschermen. Terwijl ze reizen, worden ze op wonderbaarlijke wijze geleid naar een plek waar ze een kerk bouwen ter ere van God.
Ondanks obstakels en mislukkingen bij eerdere pogingen om de kerk te bouwen, worden ze uiteindelijk naar de juiste plek geleid door een engel. De kerk wordt op die plek gebouwd met de hulp van een mysterieuze dertiende arbeider, die uiteindelijk blijkt God zelf te zijn. Nadat de kerk voltooid is, probeert niemand de kerk opnieuw te wijden, uit angst voor Goddelijke vergelding.
Het verhaal combineert elementen van middeleeuwse legendes, mystiek en humor, en toont de diepe devotie van de drie zusters, die zelfs bereid waren om lelijkheid en lijden te accepteren om hun maagdelijkheid en toewijding aan God te bewaren.