Zoek teksten, afbeeldingen, video's

Hallo, deze site is gebouwd door Kris Merckx. Heb je zelf digitale hulp of ondersteuning nodig als particulier, bedrijf, VZW, school of vereniging? Bel me op 0497 94 40 81

1. Versie met leestekens en woordtekens

L’église fut longtemps à la collation de l’abbaye du Parc-les-Dames.

C’est ce qui résulte d’une charte de l’année 1276, dans laquelle Gérard, sire de Rotselaer, et Jacques, son frère, déclarent que ce monastère l’avait conférée à celui-ci et promettent qu’ils garantiront la communauté contre toute réclamation qui pourrait s’élever de ce chef.

Plus tard, elle appartint à l’abbaye de Vlierbeek.

Le 23 mai 1443, le pape Eugène IV unit la dotation de la cure — qui produisait alors 25 marcs d’argent par an — au chapitre de l’église Saint-Pierre de Louvain, dont les prébendes étaient conférées à des professeurs de l’université récemment fondée dans cette ville.

Depuis lors, ce chapitre préleva une partie des dîmes de la paroisse, notamment les dîmes novales et celles de Wulversom, mais il devait payer la compétence du curé.

En 1619, celui-ci recevait tous les ans 20 muids de seigle et 50 florins. Il avait, de plus, le casuel, la redevance de deux pains donnés par chaque famille, et 10 florins que la fabrique lui payait, le tout représentant 255 florins, pour lesquels il célébrait la messe le dimanche et trois fois dans la semaine.

Cette compétence fut ensuite portée à 300 florins, mais bientôt le curé Van der Smissen se plaignit de ne pas avoir de presbytère convenable et en demanda un aux décimateurs et à la communauté des habitants.

Le second chapitre de Saint-Pierre offrit alors de lui abandonner les biens de la cure, de rendre compte de ce qu’ils avaient perçu depuis quarante années, et d’affecter à la construction du presbytère l’excédent du revenu sur la dépense.

Cette proposition fut accueillie par le Conseil de Brabant qui, en autorisant Van der Smissen à emprunter 4 000 florins, lui permit d’acheter un terrain de l’étendue d’un journal pour sa nouvelle demeure et de bâtir cette dernière dans un délai de neuf mois, en adoptant le plan qui avait servi à la construction du presbytère d’Elingen, près de Hal (25 août 1741).

Plus tard, l’abbaye du Parc-les-Dames fut condamnée à rembourser au chapitre une partie de la dépense (16 décembre 1747).

Le produit de l’ancienne dotation de la cure n’étant pas suffisant pour couvrir les charges dont elle était grevée, le curé, qui en était redevenu propriétaire, en fit abandon au monastère du Parc-les-Dames, à condition qu’il lui serait payé annuellement 360 florins.

Son successeur, N. Davidts, ayant réclamé contre l’insuffisance de cette somme, elle fut portée à 560 florins, somme qui fut dorénavant fournie par la fabrique, à laquelle l’abbaye dut faire remise des biens dont nous venons de parler (22 mars 1785).

Une dernière sentence du 20 mai 1786 éleva à 800 florins la compétence du curé, qui recevait en tout 1 288 florins par an.

Le presbytère était, en 1705, à côté de l’église; depuis 1741, il se trouve à une faible distance du temple vers l’est.

2. Vertaling in het Nederlands

De kerk stond lange tijd onder het collatierecht (benoemingsrecht) van de abdij van Parc-les-Dames.

Dat blijkt uit een oorkonde uit 1276, waarin Gérard, heer van Rotselaer, en zijn broer Jacques verklaren dat het klooster dit recht aan de laatste had verleend en beloven dat zij de gemeenschap zullen vrijwaren tegen elke mogelijke aanspraak hierop.

Later kwam de kerk in handen van de abdij van Vlierbeek.

Op 23 mei 1443 voegde paus Eugenius IV de dotatie van de parochie — die toen jaarlijks 25 mark zilver opbracht — samen met het kapittel van de Sint-Pieterskerk te Leuven, waarvan de prebenden werden toegekend aan professoren van de pas opgerichte universiteit van die stad.

Vanaf dat moment hief dit kapittel een deel van de tienden in de parochie, met name de nieuwe tienden (dîmes novales) en die van Wulversom, maar het moest wel het traktement van de pastoor betalen.

In 1619 ontving deze jaarlijks 20 mud rogge en 50 gulden. Daarnaast kreeg hij het casuel (inkomsten uit kerkelijke diensten), twee broden van elke familie en 10 gulden van de kerkfabriek, samen 255 gulden, waarvoor hij op zondag en driemaal per week de mis opdroeg.

Dit traktement werd later verhoogd tot 300 gulden, maar al spoedig klaagde pastoor Van der Smissen dat hij geen geschikt pastoriegebouw had. Hij vroeg de tiendheffers en de gemeenschap om er een te voorzien.

Het tweede Sint-Pieterskapittel stelde toen voor hem de goederen van de parochie toe te wijzen, rekening te doen over de inkomsten van de afgelopen veertig jaar, en het overschot van de inkomsten boven de uitgaven te besteden aan de bouw van een pastorie.

Dit voorstel werd aangenomen door de Raad van Brabant, die Van der Smissen toestond 4 000 gulden te lenen, een perceel van één dagwerk te kopen voor zijn nieuwe woning en deze binnen negen maanden te bouwen, volgens het plan van de pastorie in Elingen bij Halle (25 augustus 1741).

Later werd de abdij van Parc-les-Dames veroordeeld om aan het kapittel een deel van de kosten terug te betalen (16 december 1747).

Omdat de opbrengst van de oude dotatie van de parochie niet voldoende was om de lasten te dekken, stond de pastoor, die weer eigenaar was geworden, deze af aan het klooster van Parc-les-Dames, op voorwaarde dat hij jaarlijks 360 gulden zou ontvangen.

Zijn opvolger, N. Davidts, vond dit bedrag te laag, waarop het werd verhoogd tot 560 gulden, voortaan betaald door de kerkfabriek, waaraan de abdij de eerder genoemde goederen moest afstaan (22 maart 1785).

Een laatste uitspraak van 20 mei 1786 bracht het traktement van de pastoor op 800 gulden, waardoor hij in totaal 1 288 gulden per jaar ontving.

De pastorie stond in 1705 naast de kerk; sinds 1741 bevindt zij zich iets verder naar het oosten van het kerkgebouw.

3. Duidelijke en bondige uitleg

  • 1276: Abdij van Parc-les-Dames had het collatierecht, bevestigd door de heren van Rotselaer.
  • Later: Rechten en banden verschoven naar de abdij van Vlierbeek.
  • 1443: Paus Eugenius IV koppelt de parochiedotatie aan het Sint-Pieterskapittel te Leuven; prebenden voor professoren; kapittel heft een deel van de tienden maar betaalt het salaris van de pastoor.
  • 1619: Pastoor ontvangt naturae en geld (20 mud rogge, 50 gulden, casuel, twee broden per familie, 10 gulden van de kerkfabriek), samen 255 gulden voor zondagmis en drie weekmissen.
  • 1741: Met toestemming van de Raad van Brabant: lening, aankoop terrein (1 dagwerk) en bouw nieuwe pastorie volgens het model van Elingen.
  • 1747–1786: Vergoedingen verhogen stapsgewijs: 360 gulden, daarna 560 gulden (door de kerkfabriek), uiteindelijk 800 gulden; totaal inkomen van de pastoor 1 288 gulden.
  • Pastorie: 1705 naast de kerk; sinds 1741 iets oostelijk van het kerkgebouw.
Contacteer ons nu