Hallo, deze site is gebouwd door Kris Merckx. Heb je zelf digitale hulp of ondersteuning nodig als particulier, bedrijf, VZW, school of vereniging? Bel me op 0497 94 40 81
Jacob van Hakendover
Tussen 1577 en 1585 stond Antwerpen onder calvinistisch bestuur. In 1577 werd de Spaanse bezetting tijdelijk verdreven tijdens de Pacificatie van Gent, een overeenkomst tussen de opstandige gewesten om samen tegen de Spanjaarden op te treden. In die context werd de katholieke macht in Antwerpen sterk teruggedrongen.
Vanaf 1579 nam de calvinistische stadsregering de controle over. Deze regering stelde het protestantisme — vooral het calvinisme — centraal en beperkte de rechten van katholieken. De periode tussen 1579 en 1585 wordt daarom ook wel de "Calvinistische Republiek" van Antwerpen genoemd.
In 1585 veroverden de Spaanse troepen onder leiding van Alexander Farnese, hertog van Parma, de stad Antwerpen. Die gebeurtenis staat bekend als de Val van Antwerpen. De Spanjaarden brachten Antwerpen opnieuw onder katholiek gezag. De stad was tot dan toe een belangrijk handelscentrum in Europa en een bolwerk van het calvinisme. Na de overgave kregen protestanten vier jaar de tijd om zich te bekeren of te vertrekken. Ondertussen viel ook de Schelde onder Spaans toezicht, en de economische bloei van de stad viel stil. De tienduizenden protestanten in Antwerpen kregen nog vier jaar om zelf te bepalen of ze wilden vertrekken of zich opnieuw verzoenen met de katholieke kerk. Na 1589 woonde in Antwerpen nog slechts een handvol protestanten die clandestien hun geloof beleden. Voor dopen en trouwen deden ze een beroep op een katholieke priester, maar voor hun vieringen kwamen ze bijeen in particuliere huizen. Ze waren daarvoor aangewezen op pastorale hulp uit de Republiek of de predikant van Lillo.
De meeste protestantse inwoners van Antwerpen vluchtten naar het noorden, vooral naar Holland en Zeeland, waar ze meer godsdienstvrijheid genoten. Daar begon de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden vorm te krijgen. Ze waren vaak goed opgeleide burgers, handelaars en ambachtslieden die hun kennis en kapitaal meenamen. Hun migratie versterkte de economische en culturele ontwikkeling van steden zoals Amsterdam, dat kort nadien Antwerpen overtrof als handelscentrum. De exodus was dus zowel religieus als economisch gemotiveerd. Er werden geen specifieke en gedetailleerde lijsten bijgehouden van de personen die vertrokken. De uittocht was massaal, chaotisch en gebeurde buiten de controle van officiële instanties. Hierdoor zijn er geen officiële naamlijsten uit die periode bewaard gebleven. Onder hen bevond zich Jacob van Hakendover. Mogelijk had hij eerder al vanuit Hakendover de wijk genomen naar Antwerpen vanwege zijn calvinistische sympathieën. In Antwerpen werd hij vader van Claertgen Jacobas van Hakendover. Het is echter onduidelijk wie de moeder was. In 1585 vertrok hij richting Delft met de bedoeling van daaruit naar Rotterdam door te trekken. Hij huwde met Lijntgen Willemsdr Struijs en samen kregen ze twee of misschien zelfs drie kinderen: Susanna, David en mogelijk Egbert. Via David en Egbert werd de familienaam “Hakendover” (en spellingvarianten daarvan) doorgegeven in de familiestambomen van Rotterdam en Zuid-Holland. Ook in andere delen van Nederland dook de familienaam “(van) Hakendover” op, onder meer in Benthuizen en Hazerswoude.
Jacob, uitgever van contra-remonstrante pamfletten
Jacobs zoon David Jacobszoon van Hakendover speelde als contra-remonstrant en boekhandelaar/uitgever een prominente rol in Rotterdam. David trouwde op 24 april 1611 te Rotterdam met Grietgen Ariens. Ze kregen samen vijf kinderen die naar de naam van hun vader als familienaam “Davidts van Hackendouver” kregen: Abigail (1615), Lidia (1620), Magdalena (1626), Jacob (1629) en Marijna (1630).
Als beroep vermeldden sommige akten “voorlezer”, maar David Jacobsz. was voornamelijk “Bouck vercooper binnen deser Stede”. Hij verkocht niet enkel boeken, hij gaf ze ook uit. In 1613 en 1614 had hij zijn handelspand in het Westnieuwland, een ingepolderd gebied dat in die tijd al was uitgegroeid tot een deel van de Rotterdamse haven. Drie jaar later was hij actief aan de Vismarkt.
In 1614 publiceerde hij zonder medeweten van P.C. Hooft, als eerste een uitgave van diens treurspel “Achilles en Polyxena”. Het boek kreeg de titel “ P.C. Hoofts, Achillis en Polyxenas Treurspel. Met Ayax en Ulysses Reden-Strijdt. Tot Rotterdam, Voor David Iacobsz van Hakendover, Boecverkooper uit Westnieulant. Anno 1614”. Mogelijk droomde hij van snel geldgewin door een boek van een van de grootste schrijvers van de Gouden Eeuw op de markt te brengen. Heel nauwkeurig verliep de uitgave niet. De tekst bevatte nogal wat slordigheden in de spelling van namen, woorden werden vergeten en een aantal versregels ontbraken volledig. (Bron: https://www.dbnl.org/tekst/hoof001achi01_01/hoof001achi01_01.pdf)
Een jaar eerder, in 1613, publiceerde David een vertaling onder de titel “Een bezonder Tractaet Rvdolphi Gvaltheri, eertijts Kercken-dienaer tot Zurich, van de Arghernissen die ghenomen worden uit de leere vande Goddelicke Verkiesinghe. Toegheschreven Guilielmo den Lant-grave van Hessen. uit den Latijne in onse Nederduytsche tale getrouwelick overgezet, door I. G. Tot Rotterdam”. De inhoud bestreed bezwaren tegen de leer van de goddelijke verkiezing en sloot naadloos aan bij wat men in de jaren daarna contra-remonstrant noemde.
Als uitgever raakte hij verwikkeld in de polemische strijd tussen remonstranten en contraremonstranten. Volgens de predestinatieleer besliste God vooraf wie hij zou redden. De Remonstranten, naar Jacobus Arminius, legden de nadruk op menselijke wil en voorwaardelijke uitverkiezing. De remonstranten waren echter van mening dat een mens keuzevrijheid had. God voorzag wie gelovig zou zijn, maar dat je uiteindelijke gedrag bepaalde of je zou worden gered. De Contra-remonstranten, naar Gomarus, verdedigden de klassieke calvinistische leer van onvoorwaardelijke verkiezing en onwederstandelijke genade. De contraremonstranten waren radicaler en deterministischer ingesteld. Volgens hen bepaalde God vooraf wie hij zou redden, en kon je daar als mens niet tegen ingaan.
De polemiek escaleerde in steden en dorpen, ook in Bleiswijk, in het noordoosten van Rotterdam, waar de remonstrante predikant Henricus Slatius in 1616–1617 openlijk optrad tegen de contra-remonstrantse schuurpredikanten. “Schuurpredikanten” waren contra-remonstrantse voorgangers die niet in de officiële kerkgebouwen konden of mochten preken en daarom uitweken naar schuren, schathuizen, pakhuizen of boerderijen. In 1616–1617 leidde dat in en rond Bleiswijk tot samenkomsten buiten de gebruikelijke kerkelijke orde. Op 14 en 15 mei 1617 liet Slatius in Bleiswijk een lasterschrift in het openbaar aanplakken. Daarmee bestreed hij de contra-remonstrantse bijeenkomsten en hun voorgangers. De actie riep direct tegenreacties op. Als reactie publiceerde de contra-remonstrant Samuel Beyer drie pamfletten bij boekverkoper David Jacobsz van Hakendover:
- Waerachtich verhaal van t’ghene ghepasseert is in een zeker handelinghe, ghevallen tusschen D. Nicolaus Grevinchovium ende Ian Damen Kool ter eender ende Adriaen Adrieansz Havelaar, Gherrit Damen Kool, ende Samuel Beyer ter ander zijden. Rotterdam, by David Jacobsz van Hakendover, 1617
- Antwoordt op een zeker faem-roovend laster-schrift door Henricus Slatius uytghegheven ende den 14 ende 15 Mey int openbaer tot Bleiswijck aengheslaghen, teghens de schuer-predicanten, oft de ware leeraers der ghereformeerde kercken: waer in klaerlijck wordt betoont, hoe ydel ende onnut alle de lasteringhen zijn, daer mede Slatius de predicanten voornoemt zoeckt hatelijck ende verdacht te maken. Rotterdam, by/voor David Jacobsz van Hakendover, 1617
- ’t Loon, ’twelck Samuel Beyer kende schuldich te zijn aen den post-bode, die den opgheblasen ende hoochmoedighen Henricus Slatius aen de schuer-predicanten, oft de ware leeraers der ghereformeerde kercken heeft ghesonden. Rotterdam, by David Jacobsz van Hakendover, 1617
Een akte uit het notarieel archief beschrijft hoe de in de titel vermelde Arijen Arijensz Havelaar (28 jaar) op 14 augustus 1616 in Rotterdam samen met David Jacobsz van Hakendover, op dat moment 27 jaar, werd gevraagd om een getuigenis af te leggen. Ook de auteur van bovengenoemde pamfletten, Samuel Heijnrixsz Beyer (28 jaar) moest op verzoek van de gemeente van de Kruiskerk te Rotterdam als getuige verschijnen. Ze werden daar ondervraagd over het conflict tussen remonstranten en contra-remonstranten. Diezelfde dag werd David Jacobsz samen met de 44-jarige Christiaen Karelsz. nogmaals ondervraagd omdat zij samen in 1614 in de woning van Ds. Bondenbal, een predikant uit het dorp Hillegersberg, waren geweest. Daar hadden ze toen enige vraagstukken over het conflict tussen remonstranten en contra-remonstranden behandeld.
De Synode van Dordrecht (1618–1619) veroordeelde de Remonstrantse leer en legde de Contra-remonstrantse leerregels vast. Henricus Slatius verloor na deze beslissing zijn ambt en werd verbannen. Hij week uit naar Antwerpen en bleef schrijven. In 1619 verscheen zijn felle hekelschrift “De bekeringe van den Ghepredestineerden Dief”. Even later veroorzaakte hij ook in eigen kring rumoer met “Welbiddend onderwijs”. De spanningen met mederemonstranten liepen op en zijn positie verslechterde.
In 1622 keerde Slatius verbitterd naar Holland terug. Hij vestigde zich in Delft en raakte in armoede. Hij probeerde nog aan de kost te komen met het maken van geurwaters, maar zonder succes. In 1623 sloot hij zich aan bij het complot om prins Maurits te doden en verzorgde hij de wapens die naar Den Haag zouden worden gesmokkeld. Het plan liep uit. Slatius vluchtte, werd in Drenthe herkend en gearresteerd, en kwam via Amsterdam in de Gevangenpoort terecht. In detentie schreef hij een “Klaar Vertoogh” waarin hij de remonstranten afviel, maar hij herriep dat heimelijk vóór de uitspraak. Op 5 mei 1623 volgde de onthoofding in Den Haag. Daarna ontstond nog strijd rond zijn stoffelijke resten, die door autoriteiten en familie wisselend werden weggehaald en opnieuw verborgen. Slatius’ leven na Dordrecht had een vaste kern. Hij hield vast aan zijn remonstrantse overtuiging, zette de pen als wapen in, botste met vriend en vijand, en koos uiteindelijk voor een gewelddadige weg die hem voor het schavot bracht.
David Jacobsz. van Hakendover had m.a.w. de juiste kant van de geschiedenis gekozen. In 1617 publiceerde hij het boek “Maechts antwoort tegen, op, en aen, de aenspraeck van een courtisaen / Die haer als een valsch gedrocht, tong-erg te verleijen socht”. Auteur was Isaac Abbema, eveneens een bekend contra-remonstrant. Net zoals zijn vader en broer was hij predikant. Het boek is een polemisch-allegorisch dichtwerk in dialoogvorm. De sprekende figuur is de “Hollandse Maagd”, de verpersoonlijking van Holland/de Republiek. Ze antwoordt op een misleidende toespraak (“aenspraeck”) en verdedigt zich tegen verleiding, list en vreemde inmenging. In het boek wordt dat uitgewerkt met een stoet van allegorische beelden: een tuin/boomgaard (het land), een hovenier (de betrouwbare bewaker/ordening van de staat), een tweehoofdig beest, wolf, krokodil, basilisk, schip met een valse stuurman, dammen/dijken en het Amstel-water. Die figuren staan voor interne en buitenlandse bedreigingen, vooral katholiek-Spaans/“Spaensche” bedrog en dubbelhartige politiek, waartegen de Maagd haar vrijheid en ware godsdienst wil bewaren.
Schulden
Na de dood van zijn vader zette Jacob van Hakendover de handel in boeken verder, maar dat bracht hem al snel in geldproblemen. Hij vertoonde niet de gedrevenheid en doortastendheid van zijn vader. Hij voerde betalingen niet uit en moest voortdurend geld gaan lenen, ook van zijn eigen zusters. Op 15 mei 1651 verscheen hij voor notaris Arent van der Graeff en verklaarde dat hij Geertje Joppen, boelhuishoudster te Delft en crediteur van wijlen Joost Jopsz, 132 gulden en 20 stuivers verschuldigd was voor geleverde boeken. Hij beloofde het bedrag aan de rechtmatige houder van de akte te betalen. Hij stelde daarvoor zichzelf en al zijn huidige en toekomstige bezittingen borg, zonder iets uit te sluiten en onder gelding van het recht. De akte werd in Rotterdam verleden in aanwezigheid van de getuigen Hendrick Lijntjes en Johannes van Rijnsouver. Nauwelijks 4 dagen later verscheen hij opnieuw voor diezelfde notaris. Hij verklaarde dat hij zijn zusters 150 gulden schuldig was. Het ging om deugdelijk geleend en uitbetaald geld dat hij op 5 september 1650 had ontvangen. Hij beloofde het bedrag aan zijn zusters te voldoen uit het erfdeel dat hem zou toekomen bij het overlijden van zijn moeder, Grietjen Ariens, weduwe van zijn inmiddels overleden vader David Jacobsz. Voor de nakoming verbond hij opnieuw zijn persoon en al zijn huidige en toekomstige goederen zonder iets uit te sluiten. De akte werd in Rotterdam verleden in aanwezigheid van weerom diezelfde getuigen Hendrick Lijntjes en Johannes van Rijnsouver.
Naar alle waarschijnlijkheid hield hij het niet lang meer vol als boekverkoper, want in de lijst van Rotterdamse uitgevers uit de 17 eeeuw duikt zijn naam niet meer op. Voor zover bekend bleef hij kinderloos. Gezien het feit dat hij geen broers had, werd de naam (van) Hakendover via deze tak niet meer doorgegeven. In Benthuizen overleed in 1662 de chirurgijn Egbert Jacobsz Hakendover. Het is echter onduidelijk wie zijn ouders waren. Eén document vermeldt Susanna als zijn zus. Egbert was getrouwd met Engeltje Jans en samen hadden ze de twee dochters Grietje en Annetje en zoon Leendert. De naam “Hakendover” bleef ook in de 18 eeeuw doorleven in Nederland, maar de familiebanden zijn nog niet allemaal grondig uitgespit.