Hallo, deze site is gebouwd door Kris Merckx. Heb je zelf digitale hulp of ondersteuning nodig als particulier, bedrijf, VZW, school of vereniging? Bel me op 0497 94 40 81
Dinsdag 17 februari 1691
Dinsdag 17 februari 1691. Het was een open lucht en ‘s nachts vroor het dat het kraakte. Maar al een paar weken scheen er overdag een heldere zon. IJs en sneeuw werden mak en rul om tijdens de nacht weer aan te koeken. De Ramshovensebeek kronkelde zich van aan de kerkheuvel naar beneden tot aan de Oude Heerweg. Daar moesten voetgangers en handelaars of boeren met paard en kar de Voort oversteken, een doorwaadbare plaats. Het hing er van af hoe hoog het water van de beek stond dat bepaalde hoe makkelijk je er kon verder gaan. Een kleine stenen brug bood al evenmin veel plaats om over te steken.
Het was rond vier uur na de noen, “ontrent den vier uren in de middach” en alhoewel het al langer klaar bleef, begon de schemering in het westen toch al in te zetten. Aan de herberg van de 25-jarige Simon Dardenne (°11 maart 1665), vlak bij de Voort, stonden twee ruiters te paard. Ze stonden er al efkes en Simon had hen al een paar potten bier gebracht, maar ze stapten maar niet van hun paard af. Je kon maar best niet te veel commentaar geven aan die mannen. Een van hen was Francis, een adjudant in Spaanse dienst. Zijn metgezel Van den Putte was een voorname heer uit Zoutleeuw. Ze hadden duidelijk geen haast en bleven zoals gezegd in het zadel terwijl ze werden bediend “voor sijne doore”, voor de deur van de herberg van Dardenne. Ze dronken, zo vergoeilijkte Dardenne zich later, “een pot bier ofte twee”. Zijn 32-jarige vrouw Maria Leemans (+ 1719) bediende hen. Maria was op zondag 26 juni 1678 als achttienjarige getrouwd met de zeven jaar oudere Joannes Raeymaeckers (°1652 +1690). Joannes was een jaar eerder in 1690 gestorven. Datzelfde jaar nog hertrouwde Maria met Simon Dardenne.
Vanuit de richting van Tienen kwam een paard met lamoenwagen aangereden. Dat was een kar die door één paard werd getrokken tussen twee lange houten stokken (lamoenstokken). De kar werd begeleid door twee mannen te voet en een soldaat te paard. De soldaat viel met zijn “blauwen mantel” op in het gezelschap.
De bierdrinkende adjudant en Van den Putte waren in gesprek en blokkeerden de doorgang aan de Voort. De wagenmenners vroegen “in’t minnelen voor passagie”, een beleefde vraag om even opzij te gaan zodat ze verder konden rijden. Omdat er niet meteen gevolg werd gegeven aan hun vraag, bleven ze aandringen. Ze waren gehaast en moesten verder, want al snel zou de avond vallen. De adjudant die duidelijk al was aangeschoten was van het bier, was daar niet mee opgezet. Hij had letterlijk en figuurlijk een kort lontje: “Vilt gy niet wachten, laet het staen!” Wanneer de mannen antwoordden dat ze geen tijd hadden om te wachten, sloeg de vlam in de pan.
De adjudant trok plotseling zijn pistool, maar niet om te schieten. Hij gebruikte het zware wapen als slagwapen en deelde de mannen bij de kar “diversche stooten” uit. De soldaat in blauwe mantel leek onverstoorbaar. Hij probeerde “eene pijp toeback” aan te steken. Hierdoor kreeg de adjudant het nog meer op zijn heupen. Hij sloeg hem met zijn pistool en trok zijn degen.
In volle Indiana Jones-stijl trok de soldaat zijn pistool en er ontstond een chaotisch vuurgevecht. Van den Putten probeerde te bemiddelen en reed herhaaldelijk met zijn paard tussen de kemphanen door “vrijvende deselve te separeren”. De adjudant leek even te kalmeren en reed een eindje weg. Maar plots keerde hij met getrokken degen terug voor een laatste confrontatie.
Ondertussen hoorde de 30-jarige buurman Huybrecht Boonen "eenich gerucht" op straat en kwam zijn huis uit gelopen. De 22-jarige knecht Jan Stevens was met de wagen van zijn meester Jan Michaels onderweg naar Tienen langs de Voort. Hij maakte zich snel uit de voeten. Toen hij met zijn wagen gepasseerd was, hoorde hij een schot.
De soldaat met de blauwe mantel had de trekker overgehaald. De adjudant werd van dichtbij geraakt, “in syn hooft boven de rechte ooge”. Huybrecht zag hoe de adjudant het hoofd liet zakken, van zijn paard schoof en op de grond stortte. Iedereen kwam nu toegesneld. De adjudant probeerde nog een paar woorden te zeggen, maar het leven vloeide uit hem weg.