Hallo, deze site is gebouwd door Kris Merckx. Heb je zelf digitale hulp of ondersteuning nodig als particulier, bedrijf, VZW, school of vereniging? Bel me op 0497 94 40 81
Bij het woord pastorij denk je meteen aan een gebouw, de woning die de pastoor gratis ter beschikking krijgt. Een pastoor woont er samen met zijn meid en ontvangt een loon van de overheid voor het uitvoeren van de erediensten. Dat is niet overal zo en ook niet altijd zo geweest in ons land.
Als in oude documenten het begrip pastorij opduikt, gaat dat niet noodzakelijk over pastorij in de huidige betekenis. Pastorij stond voor het uitvoerend ambt van de pastoor: het uitvoeren van de religieuze bediening van de parochie, zoals wekelijkse of dagelijkse misvieringen aan het hoofdaltaar van de kerk. Aan die pastorij hing een “beneficie” vast, het recht op inkomsten. Waar die inkomsten vandaan kwamen, dat kon in het verleden wel eens verschillen. Wanneer een middeleeuwse of vroegmoderne bron dus spreekt over
het bezitten, schenken of verpachten van een pastorij, gaat het meestal niet om een gebouw, maar om het
ambt met zijn rechten, inkomsten en bezittingen.
Het pastorijgebouw van Hakendover dateert van het midden van de achttiende eeuw, de jaren 1740. Waar woonde en verbleef de pastoor van Hakendover dan eerder? Daarvoor duiken we verder terug in de tijd.
Frans Stijls
Dat het pastoorschap niet altijd zorgde voor een gepast inkomen en een woning, blijkt uit het verhaal van Frans Stijls, pastoor van Hakendover in de overgang van de 16e naar de 17e eeuw.
In 1597, een woelige oorlogstijd, werd Franciscus Stijls door de abt van Vlierbeek aangesteld tot pastoor van Hakendover. Hij stond voor een moeilijke taak. Het dorp was niet gespaard gebleven van rampspoed ten gevolge van de tachtigjarige oorlog. De katholieke kerk probeerde de rug te rechten tegenover het protestantisme. Het Concilie van Trente (1545–1563) wilde paal en perk stellen aan misbruiken binnen de kerk en tegelijk duidelijk stelling nemen tegen het opkomende protestantisme. Processies werden in die strijd herontdekt als een krachtig propagandamiddel. Het concilie eiste onder meer dat een pastoor in de eigen parochie verbleef, dat er katholiek onderricht werd gegeven. Het verplichtte plaatselijke dekens een jaarlijks bezoek te brengen aan alle parochies in hun dekanaat. Pastoors moesten een degelijke opleiding krijgen in een seminarie.
Toen op 10 april 1597 de Tiense deken Alexander Rotarius op bezoek kwam, stelde hij vast dat 3 altaren in de kerk waren ontwijd. Vijf jaar eerder had een gevecht plaatsgevonden op het kerkhof. Een altaar of kerkhof gold als “ontwijd” als er bloedvergieten of doodslag was gebeurd of als een kerkgebouw werd gebruik voor opslag of handel of ontheiliging van de sacramenten, zoals het laten vallen van een hostie. In zo’n gevallen mocht aan het betrokken altaar geen viering meer plaatsvinden tot het opnieuw werd gewijd door een bisschop of een gemachtigd priester. Frans Stijls vertelde de deken dat hij niet bij machte was om katholiek onderricht te geven aan de kinderen van Hakendover door de militaire onrust in de streek. Dat was niet het enige probleem waarmee Stijls kampte.
Pastoor met kinderen
Het verhaal van Frans Stijls is opmerkelijk. Hij was weduwnaar en had met zijn vrouw Maria Leemans een zoon en één mogelijk twee dochters. Frans was vermoedelijk afkomstig uit Tienen, waar de familienaam Stijls veelvuldig opdook in de 16e eeuw. Schoonouders Jan Leemans (+1588) en Lysbeth Loyaerts woonden in de Langestraat nr. 22 te Tienen, in een huis met schuurtje dat de naam “den soeten naem jesus” droeg. Hun zoon Franscen Leemans was kapelaan in de Sint-Germanuskerk te Tienen, hun dochter Maria huwde aldus met Frans Stijls. Na de dood van Maria werd Frans priester en bij gebrek aan een pastorijgebouw te Hakendover, trok hij in bij zijn oudste dochter aan wie hij zijn persoonlijke bezittingen had geschonken. Van zijn eigen moeder ontving hij niets, zo schreef hij. Zonder zijn oudste dochter die hem toegewijd ten dienste stond, kon hij niet in zijn levensonderhoud voorzien.
De kleine tienden: oorspronkelijk het inkomen van de pastoor
In de middeleeuwen, voor de 15
eeeuw, ontving de pastoor van Hakendover de kleine tienden. Kleine tienden betrof een tiende van allerlei nevenproducten in de landbouw en andere veldgewassen zoals groenten, peulvruchten, vlas, raapzaad, maar ook opbrengsten als wol, lammeren, kalveren, ganzen of bijenproducten. Kleine tienden werden vaak op verschillende tijdstippen en in diverse vormen geïnd en vormden doorgaans een kleinere, maar niet onbelangrijke bron van inkomsten voor de
kerk. Maar in 1443 werden die kleine tienden van Hakendover door paus Eugenius IV aan het tweede kapittel van Sint-Pieter te Leuven geschonken. Het Sint-Pieterskapittel kon zo mee de pas gestarte universiteit van Leuven financieel ondersteunen. Vanaf dat moment stond het kapittel in voor het onderhoud van de pastoor van Hakendover. Maar die plicht kwamen ze niet altijd netjes na.
Wat zijn tienden?
- Grote of grove tienden: Granen.
- Kleine of smalle tienden: Al het overige.
In de dagelijkse rechtspraktijk van de Nederlanden bleek de driedeling van het canonieke recht te abstract. Omdat de grote tienden (vrijwel uitsluitend graanproducten zoals rogge, tarwe, gerst en haver) historisch vaak in handen waren gekomen van grote kloosters of wereldlijke heren, bleven de overige opbrengsten over voor de lokale parochiepriester. Zo ontstond de tweedeling:
Binnen die brede categorie van "kleine tienden" maakten rechtshistorische bronnen een nader onderscheid: Omdat deze laatste subcategorie erg versnipperd was, werd zij in veel pachtovereenkomsten, tiendrollen en rechtszaken simpelweg onder de administratieve verzamelnaam "kleine tienden" (of mee onder de bloedtienden) geschaard.
- Smalle tienden (sensu stricto): Tuin- en veldvruchten (peulvruchten, kool, vlas, hop).
- Krijtende- of bloedtienden: Levende pasgeboren dieren (lammeren, biggen, kalveren) waarvan de naam verwijst naar het geluid ("krijten") of het vloeien van bloed bij de geboorte/slacht.
- Gemengde of vloeibare tienden: Producten die door dieren werden geproduceerd zónder dat het dier zelf werd afgestaan. Hieronder vallen zuivel (boter/kaas), wol, honing en bijenwas .
Vloeibare, verse melk werd in de praktijk vrijwel nooit dagelijks geïnd. Omdat melk zonder moderne koeling binnen een paar uur zuur werd, was een dagelijkse ophaalronde logistiek onmogelijk voor de tiendheffer (zoals de lokale pastoor of een tiendpachter). Bovendien kon de kerk weinig met honderden liters bederfelijke vloeistof per week.
- De boer mocht alle dagelijkse melk zelf houden en verwerken.
- Pas op het moment dat de boer kaas of boter maakte, sloeg de tiendheffer toe.
- In de lokale tiendreglementen(of dorpsrechten) stond exact vastgelegd hoeveel kazen er moesten worden afgestaan. In veel regio's gold de regel dat de tiendheffer recht had op alle kaas en boter geproduceerd in een specifiek afgebakende periode van het jaar (bijvoorbeeld de volledige zuivelproductie tussen Pinksteren en Sint-Jan, of een vast aantal kazen van een specifiek gewicht per koe).
1. De "Kaas- en Boterclausule" (Omzetting in natura)
In de overgrote meerderheid van de parochies in de Nederlanden werd de melktiende simpelweg omgezet in houdbare zuivelproducten .
2. De "Tiendpenning" (Afkoop in geld)
Omdat de controle op kaas en boter nog steeds fraudegevoelig was (boeren hielden stiekem de vetste melk achter voor eigen gebruik), werd de zuiveltiende al heel vroeg in de middeleeuwen gecommuteerd . Dit betekent dat de verplichting in natura werd omgezet in een vast geldbedrag per jaar.
- Er werd per boerderij geteld hoeveel melkgevende koeien ( melkkunnen) er stonden.
- De boer betaalde vervolgens een vast aantal penningen per koe per jaar aan de pastoor.
- Hierdoor hoefde er geen druppel melk of gram kaas fysiek de boerderij te verlaten, wat een hoop ruzies bespaarde. [ 1]
Hoe zat het met de controle?
Als er tóch in natura (dus in kazen) werd geïnd, ging dat via vaste ophaalmomenten. De tiendgaarder (de inner) kwam bijvoorbeeld twee of drie keer per jaar langs de boerderijen, of de boeren moesten hun tiendkazen op een vaste feestdag (zoals Sint-Maarten of Kerstmis) naar de pastorie of de tiendschuur brengen. Om sjoemelen te voorkomen, werd er in rechtszaken vaak geëist dat de tiendkazen gemaakt moesten worden in de grootste kaasvormen die de boer bezat, zodat men geen miniatuurkazen ging inleveren
Het Sint-Pieterskapittel van Leuven en het onderhoud van de pastoor
De kanunniken van het kapittel in Leuven kwamen niet naar Hakendover om telkens de kleine tienden op te halen. Die tienden werden “verpacht”. De pachter betaalde hiervoor jaarlijks een som aan het kapittel, haalde vervolgens in hun plaats die tienden op, maar probeerde er natuurlijk voor te zorgen dat hij winst maakte.
Frans Stijls leefde sinds zijn priesterschap bij zijn dochter en ontving van het kapittel niet de nodige steun. Bovendien maakte de oorlogstijden het leven er niet makkelijker op. Zo getuigt een brontekst uit 1604:
“Maar er is een groot gebrek wat betreft het kerkhof, omdat dit te vuil en modderig is en vol mest, zodat het eerder op een mesthoop dan op een heilige plaats lijkt, wegens koeien, varkens en dergelijke die er in oorlogstijd naartoe gedreven zijn, zoals in vele andere streken gebeurt. Sommigen hebben hier hutjes gebouwd, hoe dan ook, waarin zij hun brouwketels sluiten en bier koken, zonder acht te slaan op pastoor of deken, ja zelfs tegen de pastoor in murmelend.”
Waar Stijls verbleef is niet duidelijk. We weten niet waar zijn dochter woonde. Veel huizen in het dorp waren afgebrand. Stijls ging op zoek naar andere manieren om een oplossing te vinden voor zijn penibele financiële toestand. Dat gebeurde niet zonder slag of stoot.
In 1608 vocht pastoor Franciscus Stijls van Hakendover op twee fronten om zijn inkomsten. Eerst klaagde hij het Sint-Pieterskapittel van Leuven aan. Dat kapittel ontving de kleine tienden van Hakendover en moest in ruil instaan voor het onderhoud van de pastoor. Stijls kreeg slechts twintig mud rogge, volgens hem te weinig om behoorlijk te leven. Het kapittel verdedigde zich met het argument dat Stijls vroeger gehuwd was geweest en kinderen had. Daarom zou het niet verplicht zijn hem verder te onderhouden. Stijls ontkende zijn gezinssituatie niet, maar vond dat die niets veranderde aan de onderhoudsplicht van het kapittel. Hij vroeg de kerkelijke rechtbank in Mechelen om daarover een definitief vonnis te vellen.
“Twintig mud rogge” was een aanzienlijke hoeveelheid graan, maar geen royaal pastoorsinkomen. Omdat oude graanmaten lokaal verschilden, is een exacte omzetting moeilijk. Uit de rekening in de bron blijkt wel dat men rekende met zes halsters per mud:
- 20 mud = 120 halsters
- 120 × 15 stuivers = 1.800 stuivers
- 20 stuivers = 1 Rijnsgulden
- totale waarde: ongeveer 90 Rijnsguldens
Op basis van vergelijkbare Brabantse graanmaten ging het vermoedelijk om circa 3.000 liter rogge, of ruwweg 2.000 à 2.200 kilogram. Dit blijft een benadering: historische inhoudsmaten verschilden van plaats tot plaats. De pastoor kon deze rogge laten malen en er brood van laten bakken, een deel gebruiken om zijn huishouden en personeel te voeden, of het graan verkopen om andere uitgaven te betalen. Theoretisch vertegenwoordigde de hoeveelheid genoeg graan voor de jaarlijkse broodvoorziening van meerdere personen. Stijls’ probleem was dus niet dat twintig mud nauwelijks iets voorstelde, maar dat dit zijn volledige ambtsinkomen vormde. Van de opbrengst moest hij ook kleding, huisvesting, personeel en kerkelijke lasten betalen. Daarom stelde hij dat de geldwaarde van ongeveer 90 Rijnsguldens onvoldoende was om als pastoor eerbaar te leven.
Terwijl dat proces aansleepte, begon Stijls zelf de novale tienden op te halen. Dat waren de tienden op “nieuwe” gewassen zoals vlas en hennep. Daarmee raakte hij in conflict met de abdij van Vrouwenpark, die als sinds de 13e eeuw in het bezit waren van de “grote” tienden van Hakendover. Grote tienden werden geïnd over de hoofdgewassen van het open veld, alles wat halm of stengel droeg: tarwe, koren, rogge, haver, gerst, boekweit. Meestal werd letterlijk een tiende deel van de geoogste schoven ingeleverd. De grote tienden waren financieel het belangrijkst en eenvoudig te innen, en vormden zo de ruggengraat van het systeem.
Stijls haalde eigenhandig bundels vlas en hennep op en verbood de tiendinners van de abdij nog verder te innen. De abdis verzamelde daarop getuigenverklaringen en liet hem door de Soevereine Raad van Brabant sommeren haar rechten ongemoeid te laten. Zo groeide Stijls’ strijd voor een behoorlijk inkomen uit tot een dubbel conflict: met het Sint-Pieterskapittel over zijn onderhoud en met Vrouwenpark over de tienden die hij zelf was gaan ophalen.
Pieraerts
Het verhaal van Stijls is geen alleenstaand geval. Conflicten over tienden kwamen in die periode veelvuldig voor. De opbrengsten van een parochie waren vaak verdeeld over verschillende kerkelijke instellingen, terwijl de plaatselijke pastoor daarvan moest worden onderhouden. Onduidelijke of betwiste rechten, laattijdige betalingen en ontoereikende inkomsten leidden dan ook geregeld tot processen tussen pastoors, kapittels, abdijen en tiendpachters.
Een halve eeuw na Stijls zou pastoor Arnoldus Pieraerts, onder wiens pastoorschap de paardenprocessie tot bloei kwam, zelf de tienden in pacht nemen. Pastoor Pieraerts woonde in een woning naast de kerk. Het is de enige pastoor waar we met zekerheid van weten waar hij ergens te Hakendover verbleef.
Arnoldus was genoemd naar zijn grootvader langs vaderskant. Grootvader Arnoldus was gehuwd met Anna Vleesschouwers en samen kregen ze, onder meer, een zoon Jean Pieraerts (1599–1683). Jean was geboren in Tienen en bekleedde er een belangrijk stedelijk ambt als schatter en ijzervorster (een toezichthouder op de stedelijke gevangenis). Jean huwde in 1620 met Marie Conincx (1597–1683), dochter van Michael Conincx, de toenmalige koster van Hakendover, en Elisabeth Lavaerts. Michael Conincx overleed in 1635. Uit het huwelijk van Jean en Marie stamde onder meer Joannes Baptist Pieraerts (1628–1697), die de traditie van stedelijke dienst verderzette als landmeter van de stad Tienen. Hij huwde drie keer: met Adriana Gisbaert, Anna Hoebaerts en Catharina Taverniers uit Hoegaarden. Zijn zoon Michiel (1677 Tienen – 1723 Leuven) was eveneens schatter en landmeter. Pastoor Arnoldus Pieraerts stamde m.a.w. uit een voorname Tiense burgerfamilie.
Arnoldus Pieraerts werd geboren op 27 november 1625 in Tienen en nog diezelfde dag gedoopt in de parochie van Sint-Germanus. Zijn ouders waren Joannes Pieraerts (ca. 1599–1683) en Maria Conincx (ca. 1598–1686). Terwijl zijn familieleden zelf stedelijke ambten bekleedden, koos Arnoldus voor een geestelijke loopbaan. Op 17 augustus 1650 werd hij na een vergelijkend pastoorsexamen aangesteld als pastoor van Hakendover, een ambt dat hij meer dan veertig jaar zou bekleden. Hakendover had geen pastorij. Pieraerts woonde in een huis met hof aan de zuidkant van de kerk.
Zijn pastorale werk bracht hem in nauw contact met de gemeenschap. Verschillende kinderen uit het dorp kregen zijn voornaam en hij werd hun peter, onder wie Arnoldus Davidts (1653), Arnoldus Stevens (1653–1691), Arnold Davidts (1657–1696), Arnold Dewelde (1658–1675), Arnold Peyssens (1660–1676), Arnold Stevens (1670) en Arnold Dewaelheyns (1672–1672).
Noemde de deken hem in 1661 nog een man van goede naam en faam, en voldeed hij ten volle aan (zijn) pastorale plicht, in 1672 klonk een ander geluid.
“Pastoor heer Arnoldus Pieraerts, een man die niet bepaald vredelievend is; in strijd met de bepalingen van de provinciale synode van Mechelen, titel 18, hoofdstuk 5, en met die van [Wm.] Creusen, P.M., heeft hij de tienden van de kanunniken van Sint-Pieter (van hun tweede fundatie) in pacht genomen, in de maand [te] Leuven, en met [obliquio …]; hij gaat er op een opmerkelijke manier mee om [ … ]. Toch is er voor hem voldoende voorzien in een eervolle/waardige bestaansbasis. Maar volgens de parochianen lijkt hij te zeer op het tijdelijke (geld en goederen) uit te zijn.” - 1672
De deken noteerde dat Pieraerts “niet bepaald vredelievend” was. Hij had de kleine tienden – die toekwamen aan het Sint-Pieterskapittel van Leuven (de “tweede fundatie”) – in pacht genomen (conduxit decimas). Dat soort pachtconstructie was in die tijd niet uitzonderlijk. Tienden vormden een inkomstenbron die vaak via contracten, pachters en tussenpersonen werd beheerd, precies omdat het innen ervan in de praktijk veel organisatie en macht vroeg.
Volgens de deken ging Pieraerts met die tiendenpacht op een “vreemde” manier om (mirabiliter discurrit). Wat hij precies deed, bleef in het verslag onduidelijk: de formulering suggereerde dat er iets niet klopte in de manier waarop hij het contract of de inning organiseerde, maar zonder de concrete handelingen te benoemen. Wel voegde de tekst er meteen aan toe dat hij, ondanks alles, voldoende middelen had voor een “eervolle bestaansbasis” (honesta competentia). De kritiek zat dus niet in armoede, maar in zijn houding. Een aantal parochianen vonden dat hij te veel op het tijdelijke (geld en goederen) gericht was.
Die verwijzing naar “Creusen” sloot daar goed bij aan. In de 17 eeeuw had Andreas Creusen (1591–1666), eerst bisschop van Roermond en later aartsbisschop van Mechelen, zich namelijk expliciet beziggehouden met wantoestanden rond tienden. In zijn bestuursperiode klaagde men dat tienden die eigenlijk voor geestelijken bestemd waren, geregeld in handen kwamen van rijke heren, kloosters of abdijen die de inkomsten niet wilden afstaan, en dat sommige pastoors met voldoende inkomsten zelfs weigerden hun kapelaans te laten delen. Creusen probeerde dat soort misbruiken te bestrijden en zo nodig via nieuwe kapelaniën inkomsten te herordenen.
De “provinciale synoden van Mechelen” waarnaar het verslag verwees, waren kerkvergaderingen op provinciaal niveau, ingevoerd en versterkt in de geest van het Concilie van Trente. Ze legden regels vast over kerkdiscipline, liturgie en bestuur, en publiceerden die in decreten en statuten die systematisch waren opgebouwd in titels en hoofdstukken. Voor Mechelen ging het bijvoorbeeld om provinciale concilies/synoden zoals die van 1570, later ook 1574 en 1607, met gedrukt vastgelegde besluiten.
Daarmee kwam de deken ook bij een tweede, heel andere “overtreding” uit: niet het tiendencontract, maar de residentieplicht. Pieraerts was parochiepriester. Dat ambt bracht niet alleen inkomen, maar ook plichten mee. De synode beschouwde hem dan als iemand met een beneficie: een priester die inkomsten genoot in ruil voor vastgelegde taken.
Volgens Titel XVIII, hoofdstuk 5 van de DECRETA ET STATUTA SYNODI DIOE CESANÆ MECHLINIENSIS uitgegeven bij Plantijn in 1634, telde zo’n priester pas als “resident” wanneer hij zijn kerkdienst ook echt deed. Het ging dus niet alleen om “in de parochie wonen”. Hij moest aanwezig zijn bij minstens één grote dienst: metten met lauden, de hoogmis of de vespers. Hij moest ook de kleinere gebedsuren meedoen die daarbij hoorden. En hij moest blijven van het begin van de dienst tot het einde. Wie te laat kwam, vroeg vertrok of wegbleef, gold die dag als niet-resident, ook al was hij lichamelijk gewoon in Hakendover.
De visitatie koppelde dat aan het bredere beeld van Pieraerts. Hij had de kleine tienden van het Sint-Pieterskapittel in Leuven in pacht genomen. En volgens de parochianen ging hij daar op een vreemde manier mee om. Daarom werd hij niet alleen op zijn geldzaken bekeken, maar ook op zijn naleving van de kerkelijke plichten.
In maart 1693 liet hij een testament opmaken bij notaris Henri Peyssens in Tienen. Enkele maanden later, op 27 augustus 1693, overleed hij in Hakendover op 67-jarige leeftijd. Hij werd begraven in de kerk van Hakendover, in het koor dat aan de Heilige Maagd Maria was toegewijd. In het parochieregister van 1693 lezen we:
“Eerwaarde Heer Pastoor Arnoldus Pieraets is gestorven op 27 augustus van het jaar 1693. Hij, die vroom, ijverig en toegewijd was, heeft gedurende 43 jaar en 9 maanden hier zijn schapen (gelovigen) gehoed in zijn parochie van Hakendover.”
De bouw van het pastorijgebouw
Voor 1740 was er voor zover bekend dus geen pastorijgebouw te Hakendover. De pastoors moesten voordien zelf voor hun onderkomen zorgen. Daarin kwam verandering onder pastoor Alexander Vandersmissen: in 1741 werd langs het huidige Schoolpad een nieuwe pastorij gebouwd. Vandersmissen zou zich voor het ontwerp hebben laten inspireren door de pastorij van Elingen.
Over het leven van Alexander Vandersmissen is weinig bekend. Hij was geboren op donderdag 10 april 1710 te Leuven, als zoon van Carolus Vandersmissen (1664-1748) en Maria Cansmans (1673-1762) en gedoopt in de Sint-Pieterskerk. Na de dood van pastoor Franciscus Cartuyvels, werd hij in 1738 aangesteld als pastoor van Hakendover. Ook hij lag regelmatig in conflict met de tiendenheffers.
Pastoor Alexander Vandersmissen, tevens landdeken van het district Tienen, had zich tot de soevereine raad gewend en daarin de abdis van Vrouwenpark, het kapittel van de collegiale Sint-Pieterskerk in Leuven en de gemeente Hakendover in rechte geroepen. Hij vorderde een behoorlijke pastorie. Tijdens dat proces verklaarde het kapittel afstand te doen van de genoemde tienden en landerijen die het sinds de incorporatie van 1443 in bezit had. Daarnaast stelde het kapittel zich bereid rekenschap af te leggen van wat het gedurende veertig jaar had ontvangen en beloofde het overschot daarvan aan te wenden voor de heropbouw van de pastorie. Deze verklaringen werden door Vandersmissen aanvaard. De abdis van Vrouwenpark beklaagde zich echter over die verklaringen en voerde aan dat ze haar schade berokkenden. Daarop besliste het hof dat de verklaringen van het kapittel voor commissarissen opnieuw moesten worden herhaald ten aanzien van de abdis. Dit leidde tot een definitieve uitspraak in 1747, waarin het hof oordeelde dat het kapittel gebonden was aan zijn verklaringen en dat de partijen zich daaraan dienden te houden. De kleine tienden en landerijen keerden daardoor terug naar de kerk van Hakendover en kwamen in het bezit van pastoor Vandersmissen. Omdat de inkomsten niet voldoende waren voor zijn onderhoud, sloot Vandersmissen een contract met de abdis van Vrouwenpark. Daarin droeg hij de genoemde tienden en landerijen, verkregen via het kapittel, aan haar over voor een jaarlijkse lijfrente van 360 gulden, zolang hij leefde.
De bouw van een pastorijgebouw paste in een bredere ontwikkeling. In de 18e eeuw werden in de Zuidelijke Nederlanden veel nieuwe pastorijen opgetrokken. Pastoors moesten immers in hun parochie verblijven, maar beschikten lang niet overal over een behoorlijke woning. Vooral in de tweede helft van die eeuw nam de bouwactiviteit van "pastorijen" sterk toe. Het edict van keizerin Maria Theresia van 25 september 1769 verduidelijkte en verscherpte namelijk de verplichting van de tiendheffers om kerken en pastoorswoningen te onderhouden, te herstellen of zo nodig opnieuw op te bouwen. De pastorij van Hakendover dateert evenwel al van vóór dat edict.
De beschikbare middelen volstonden niet om de bouw in Hakendover volledig te bekostigen. Daarom sloot het Sint-Pieterskapittel van Leuven een lening af. Het kapittel deed dat omdat het als tiendheffer inkomsten uit de parochie ontving en daardoor ook verantwoordelijkheid droeg voor het onderhoud en de huisvesting van de pastoor. Zo kreeg Hakendover in 1741, mede dankzij het initiatief van Vandersmissen en met Elingen als vermoedelijk voorbeeld, voor het eerst een echte pastorij.