Zoek teksten, afbeeldingen, video's

Hallo, deze site is gebouwd door Kris Merckx. Heb je zelf digitale hulp of ondersteuning nodig als particulier, bedrijf, VZW, school of vereniging? Bel me op 0497 94 40 81

Verloor het dorp zijn landelijk karakter?

De oorsprong van het dorp met het gehucht Wulmersum reikt zeker terug tot in de eerste eeuwen van onze jaartelling, daar het dorp gelegen is op de Romeinse weg Tongeren - Asse en het gehucht Wulmersum op het diverticulum Tienen - Orp-le-Grand. In het noordoosten, te paard op de grens van het dorp Wommersom, strekken zich de gebouwen en de akkers uit van drie grote hoeven: Bosschellen, Kruisbeemd en Beens. Het eigenlijke dorp strekt zich uit rond de kerk en gedeeltelijk langsheen de steenweg Tienen - Luik.

Wulmersum

Het gehucht Wulmersum verloor zijn zelfstandig karakter omstreeks het midden van de 19e eeuw. Er bevond zich een kerk toegewijd aan Sint-Denijs (Sint-Dionysius). Deze kerk werd afgebroken ca. 1840 voor de aanleg van de spoorweg Tienen - Luik. In februari 1959 legde Alfons Roukaerts in de boomgaard van zijn eigendom te Wulmersum, bij het vellen van een oude notelaar, een geraamte bloot op een twintigtal meter van de spoorweg, wat er dus op wijst dat het kerkhof omheen de kerk zich werkelijk onder de spoorlijn bevindt. Door de betere weg hebben de inwoners van Wulmersum in vroger tijd steeds meer betrekkingen onderhouden met de tiense voorstad grimde dan met het dorp Hakendover.

Bebouwing

In 1930 stond er geen enkel huis tussen het station van Grimde en de grens Tienen - Hakendover. Verder, vanaf het kasteel Storms tot aan de grens van het (vroegere Luikerdorp) Overhespen, stond slechts één met stro gedekt lemen gebouw, de landelijke herberg bewoond door een zekere Respen (op het kruispunt van de Sint-Truidensesteenweg en de Keienpoelweg). In de volksmond noemde de straat nog lange tijd de Respesestraat. In de laatste jaren nam de bebouwing langs de steenweg Tienen - Stint-Truiden zodanig toe dat vanaf het kasteel Storms tot aan de grens Overhespen nu benzinestations, garages, een meubelwinkel en een zestigtal villa's staan. Vanaf het vroegere station van grimde is de weg zonder overgang volgebouwd.

Landbouw

De gevestigde landbouwersschaften zich onder impuls van het landbouwonderwijs alle moderne machines aan. Paarden moesten de plaats ruimen voor tractors en de twee hoefsmeden moesten overschakelen naar het onderhoud van landbouwmachines en de verkoop van elektrische huishoudtoestellen.

Brood

Hoe was het leven van de dorpelingen ingericht? Terwijl in vroeger tijd ieder huisgezin zijn eigen brood bakte, bleven er in 1960 geen tien huisgezinnen mer over waar dit nog gebeurde. Daar waar men nog over een oven beschikte, diende hij enkel nog voor het bakken van de kermisvlaaien. Bij schade aan het inwendige van de oven vond men geen enkele gespecialiseerde vakman meer voor het herstellen en moest men een beroep doen op de eerste de beste metsersgast.

Over het bakken in de oven valt heel wat te vertellen. Op "Suskes hoeve" zag ik de oven gebruiken omstreeks 1935. Het bakhuis bevond zich in een afzonderlijk gebouwtje, het klaarmaken van het deeg gebeurde binnenshuis, in de keuken, waar de "moule" stond die tevens dienst deed als tafelblad. Bij 't bakken werd het "tafelblad" afgenomen en achteraf werden hierop de klaargemaakte deegbroden naar het bakhuis overgebracht.

Voor het stoken gebruikte men sleenhout in "hetsels" (bussels) gebonden. Alle hout was goed, men stookte soms zelfs aardappelloof. Als de oven goed heet was, trok men met de ovenhaak de "ovenas" of krikke" uit de oven en smeet ze in het gat onder de oven (zie hieronder). Het "inschieten" van de broden, het deeg rechtstreeks op de ovenvloer, gebeurde met en stok waaraan een cirkelvormige metalen plaat zat, die men de "zwaai" noemde. Na het bakken werden de broden eveneens met de zwaai uitgehaald. De broden werden van korenmeel gebakken met de bloem zoals ze van de molen kwam. Men bakte eveneens enkele witte broden van "uitgetemste" gezeefde tarwebloem. Dan sprak men niet van een "brood", maar van een "mik". de pan waarin ze gebakken werd, noemde men de "mikkepan". Van de mik kreeg elkeen dagelijks een boterham bij de ochtendmaaltijd. Bij grote gelegenheden bakte men een "korintemik", in het deeg werden krenten, rozijnen, vet en kandijsuiker verwerkt.

Elk brood of mik werd, voor het de oven inging, bestreken met koffievocht om een glanzend oppervlak te bekomen. Dit noemde men het "zalven". Over het eerste brood dat de oven inging maakte de boerin een kruisteken. Bij het bewerken van het deeg en om het "gang te doen krijgen" gebruikte men "eisem" ("desem"), voor de mik nam men gist. Desem bekwam men door een overgebleven stukje deeg te bewerken met "rinsel". Rinsel was een stremmende afscheiding uit de maag van pas geslachte "nuchtere kalveren", dat men te Tienen bij een beenhouwer ging halen, die het verkochtin afgebonden stukjes darm. Datzelfde stremsel gebruikte men eveneens om melkkaas of botermelkkaas te zetten. In de kermistijd bakte men met de botermelkkaas de in onze streken zo bekende "keesvlaaien". Een stuk uitgerold deeg in een lage pan werd gevuld met een dikke laag "spijs" gemaakt van botermelkkaas, zaan (room), suiker en eieren. Bij het bakken werd de ovenmond afgesloten met een metalen deksel. In 1930 zag ik de oven nog sluiten met een houten deksel waarop voor het bakken een dikke laag klei werd gestreken om het verbranden te voorkomen. Bij de gegoede boeren bakte men voor de "petatterapers" in het rooiseizoen "broektessen" als middageten op het veld. Dit waren ronde stukken deeg van witte bloem, uitgerold tot ongeveer 15 cm doormeter. Op de ene helft werd wat appelspijs of appelschijfjes gelegd. Daarna vouwde men het geheel dicht waarbij de twee boorden met de duim in "puttekens" werden aangeduwd.

Daar men brood bakte voor een ganse week kon het gebeuren dat men voor de bakdag "bekort" was. dan ging men bij de buurman een brood lenen. Met een lint werd de omtrerk van het brood afgemeten, want als men achteraf een ander brood terugbracht moest dit aan de afmetingen van het lint beantwoorden.In verband met het bakken ontstonden er verscheidene gezegdes. Het laatst geboren kind van de familie noemde men "het krabseling van de moel". Bij boeren bestond de gewoonte voor het aansnijden van het brood met een mes een kruisteken te maken over de onderkant. Een goed gedeelte van de "krikke" of de "ovenas"werd in een oud laken gelegd boven een kuip. Daarover goot men water en achteraf zette men in de kuip de was te weken. Het vuil kwam gemakkelijker los en men moest minder zeep gebruiken. Bij "het keren van de jaren" was niets zo goed als het nemen van voetbaden in water waarin verpulverde ovenas was vermengd. Als men aardappelen plantte, vermengde men "ovenas" en "kiekenmest" en daarvan zette men in elk kuiltje een "prieske". Heden koopt vrijwel iedereen bakkersbrood omdat men iedere dag vers brood aan huis besteld krijgt.

Veekoopster

Bij de aanvang van deze eeuw bestond er in het dorp nog volgende gewoonte: Lange Marie was een veekoopster die op markten en bij de boeren koeien opkocht, deze liet "vèren" (dekken) en ze dan uitplaatste bij arme lieden die deze dieren dan voederden en de melk aks vergoeding mochten behouden; als het dier "droog stond", dus uitgemolken, kwam de eigenares het terug ophalen om het als drachtige koe te verkopen.

Veevoeder

De vrouwen en dochters van de kleine koeboertjesof van de boerenarbeiders trokken iedere dag naar het veld als "voeierpluksters", gerwapend met een reuzezak en een sikkel gingen ze allerhande gras en groen snijden om thuis de koe, de geit, de "lemmes" (schapen) of koniijnen te voederen. Dat ze het hierbij niet altijd al te nauw namen met het mijn en het dijn en gemakkelijk aan de "klaveren gingen zitten" is begrijpelijk. De boer sprak dan ook minachtend van de "voeierwijve". Als de zak vol was, droegen ze hem in evenwicht op het hoofd huiswaarts. Dezelfde vrouwen gingen ook in de oogsttijd "baaien", dit is, na het inhalen van de oogst, de achtergebleven graanhalmen inzamelen.

Als verwittigingsteken dat het stuk land niet mocht betreden worden stak de boer een "mei" in de grond. Dat was een stok met aan het boveneinde een bosje stro. Voor de kinderen was er eveneens werk genoeg na schooltijd en zelfs onder deschooluren, want schoollopen was toen puur tijdverlies. De meisjes deden twee werken tegelijk: ze moesten de koeien gaan "huën" (hoeden) langs de grachten en bermen en intussen konden zij kousen breien. dat dit hoeden geen jongenswerk was, is verstaanbaar; jonge knapen lieten al te gemakkelijk hun koe in de steek om lustig te ravotten, tot een boer de koe uit zijn klaveren moest halen en kwam "opspelen" voor de aangerichte schade.

Een andere vrouwelijke bezigheid, nu eveneens verdwenen en die in onze streek een geweldige populariteit kende, is het "bietebloare" of het afplukken van de geelgeworden bladeren aan voeder- of suikerbieten. De afgeplukte bladeren werden met een vooraf klaargemaakte stroband in bussels gebonden en als bijkomend stalvoeder aan de koeien voorgezet. Dit was niet alleen het geval bij de kleine boeren, maar ook de anderen zagen hierin een welkome aanvulling van hun voederstapel.

Duvelen

Er is te Hakendover wel een Molenweg (Meulebaantje) maar er was nooit een molen in het dorp, daar de inwoners "ten eeuwigen dage hun graan moesten laten malen in de hertogelijke molen van Eliksem". Om de moeilijke holle wegen naar Eliksem te vermijden gingen de inwoners met hun zak graan op een kruiwagen langs een zelfgebaand pad doorheen de velden naar de molen. Dit wegeltje, nu reeds meer dan honderd jaar buiten gebruik als molenweg, draagt nog steeds die benaming. Voor een tachtigtal jaren lieten ze hun graan malen te Grimde in de Bookmolen (verdwenen) of te Tienen in de Roosmolen (verdwenen).

Nu verkopen de boeren hun graan en kunnen voor veevoeder terecht bij een "droge maalder" op het dorp. Om klaverzaad te laten zuiveren gaan ze nog steeds naar een van ouds gekende watermolen op de Gete te Utsenaken onder Oplinter.

Vogelschrik

Wat eveneens uit het landschap begint te verdwijnen zijn vogelschrikken op de vers bezaaide velden; ten onrechte, want de vogels hebben zich er nooit erg aan gestoord! Nochtans was het stellen van een vogelschrik, naar mijn bescheiden mening, een soort van rituele handeling. De boer stelde dat spookachtig wezen wel op om de vogels te verschrikken maar tegelijk schiep hij een hallucinante verschijning, identiek met de beelden die zijn geesteswereld bevolkten wanneer hij in de winter langs donkere paden onderweg was en bij het ontwaren van grillig gevormde bomen of struiken, zijn hart sneller voelde kloppen: een of andere boze geest kon er op de loer liggen.... Wie de gelegenheid heeft enkele van de Haspengouwse landschappen van de Tiense schilder Armand Knaepen te bewonderen, schilderijen of tekeningen waarop vogelschrikken zijn afgebeeld, zal moeten toegeven dat de kunstenaar eveneens onze stelling aankleefde.

Het verdwijnen van de vogelschrikken is waarschijnlijk te wijten aan de invloed van het onderwijs, aan de toenemende welstand van de boeren die enkele zaadjes of plantjes graag aan de vogels gunnen en aan de hedendaagse verlichting langs de buitenwegen, feiten waardoor de de geest geen gelegenheid meer geschonken wordt om zulke spookachtige verschijningen te combineren. Wat men af en toe nog kan zien, zijn enkele wissen waaraan krakende witte papieren gebonden zijn en die de mussen moeten weghouden van een pas bezaaid stuk erwten. Of ook, maar dan is het zeker een vrekkige boer, in de kersenboom naast het huis, een bel die men van binnen kan bewegen, als de mussen het al te bont maken.

Bijgeloof

Dat de boer er ook zonderlinge meningen kan op nahouden? Het gebeurde soms dat bij het afsterven van de laatste der ouders, de inwonende zoon het niet altijd volkomen eerlijk schikte, ondanks de gedane belofte bij het sterfbed. Wat hij echter niet zou nagelaten hebben, was het volbrengen van de beloofde beewegen. Maar dan kon het ook gebeuren dat hij op weg naar Scherpenheuvel onderweg "bezwaard" werd door de afgestorvene, zodat hij slechts met de grootste krachtinspanning zijn doel kon bereiken. Een eigen familielid uit Wulmersum, nu reedss meer dan twintig jaar overleden, had van zijn vader een goede manier geleerdom onderweg niet bezwaard te worden. Voor hij zijn huis verliet voor een beeweg plaatste hij naast de ingangsdeur een mispelaren wandelstok of een paraplu, opende dan wagenwijd de voordeur en sprak luidop de volgende woorden "gaat maar voorop, ik zal u volgen".

Een bijgelovige angst heeft lang op de mensen gedrukt. een voorbeeld nog: mijn eigen schoonvader, veekoopman uit Hakendover, had er een heilige schrik van als hij naar de markt vertrok als eerste menselijke ontmoeting een vrouw tegen te komen, want dat was telkens een slechte marktdag.

Gilde

Dat het verenigingsleven ook een ferme deuk heeft gekregen is natuurlijk ook een feit. Er bestaat in het dorp wel een eeuwenoude Sint-Sebastiaansgilde, waarvan de werkzaamheden bestaan uit een driejaarlijkse koningsschieting op een voor die gelegenheid opgerichte wip, het medegaan, met vlag en koningsbraak, in de processie en enkele keren per jaar het afdrinken van een vat bier. De weinig talrijke leden zijn allen boeren, geen enkel fabrieksarbeider maakt er deel van uit.

Herberg

De dorpsbewoners brengen hun zondag door in een paar herbergen, met kaartspel of met het schieten op een doel in een overdekte schietbaan aan de voet van de lange kerktrappen. De enkele oudere boeren die langs de steenweg wonen, komen in het dorp hun kaartje trekken of een babbeltje doen bij een der andere boeren.

Boeuf

Er is eveneens een toneelvereniging in het dorp, nl. "De Korenbloem", die op een zestigjarig bestaan kan bogen, maar in de laatste jaren is hier ook een achteruitboeren waar te nemen. Voorbij is de tijd toen ze, na de jaarlijkse smulpartij, konden tonen dat ze werkelijk wat afwisten van komediespelen. Het gebeurde soms dat de een of andere vreemde jongen die in het dorp kwam vrijen er zich trachtte in te burgeren door lid te worden van de toneelmaatschappij. Na het eten en bij het drinken van menig glas bier was redan wel een die het gesprek op waaghalzerij of durf bracht, tot er tenslotte iemand voorstelde van nog diezelfde avond "den boeuf te gaan jagen" op de Ezemaalseberg.

Allen stemden daarmee in ook de nieuweling die niet wilde onderdoen, alhoewel hij niet wist wat "den boeuf jagen" betekende. Men vertrok dan met twintig tot dertig man langs de holle Ezemaalsestraat tot boven op de helling. Daar trok men dan van de gebaande weg het open veld in en de nieuweling, omdat hij aan het opjagen niet gewend was, kreeg de taak van met de medegebrachte schoven stro een hoog oplaaiend aan te leggen en te onderhouden. Intussen gingen de anderen zich in een kring verspreiden om "den boeuf" naar het vuur op te jagen. Zoals dan afgesproken stookte onze man het vuur goed op en de anderen verdwenen in de duisternis en begonnen wat later te roepen en te tieren. Na enkele minuten trokken de jagers die de omgeving goed kenden fluks naar het dorp terug en lieten de stoker aan zijn lot over. Wanneer deze nu vaststelde dat er niets meer te zien of te horen was, gaf hij er zich rekenschap van dat hij "den boeuf" was. Wanneer hij er dan ook van onder wilde trekken met een bang hart, kon hij zijn weg niet meer terug vinden, verblind door het staren in het vuur, onbekend met de omgeving en zonder oriëntatie: er was toen nergens straatverlichting. Zo doolde hij soms uren rond in de nacht om dan nog in en vreemd dorp aan te landen....

Bron

Tot 1960 was er in het dorp geen enkele steenweg; nu is men begonnen met de heraanleg, in een brede betonbaan, van de verbindingsweg met Wulmersum. Een smal voetwegeltje vanaf de bron wordt een nieuwe verbindingsweg van het dorp met de steenweg naar Luik. Voor de bron bevond zich een achtkantig waterbekken speciaal aangelegd om indompelingsbaden mogelijk te maken voor de bedevaarders, alhoewel er nooit gebruik werd van gemaakt, maakte het toch deel uit van het vertrouwde dorpsbeeld. Dit bekken moet nu verdwijnen om de aanleg van de nieuwe betonbaan mogelijk te maken. Bij de grote Paasbedevaart zaten omheen dit bekken de verkopers van het mirakuleuze water, maar de prijs die men betaalde was slechts de kostprijs van de fles, het water kreeg men gratis. Zal deze geplogenheid nog kunnen stand houden, nu de bijzonderste toegang naar de kerk en tevens het vertrekpunt van het Dertienmaal in een moderne verkeersweg gaat herschapen worden?

Gewijde aarde

Zoals voor het water van de bron kon men ook op het kerkhof terecht bij grafmaker die u tegen een foi een papieren zakje bezorgde, gevuld met gewijde aarde, dat vermengd was met het zaaigoed, alle kwalen der gewassen bestrijdt. Ook kleine kleuters die al spelend soms een stukje aarde in de mond steken, kan men van hun ziekte genezen door hun deze gezegende aarde voor te zetten.

Bedevaart

Voorheen was de grote Paasmaandag-bedevaart een welkome bron van inkomsten voor de inwoners. de honderden Hollandse bedevaarders uit de streek van Breda en 's Hertogenbosch, die op zondagnamiddag toekwamen, zochten evenwel ,ooit nachtverblijf in Hakendover. Het lag niet in de wantrouwige aard van de boeren om veel vreemde mensen op hun hof te laten overnachten en bij de kleine boeren was er niet voldoende plaats. Daarom bespraken deze vreemdelingen en ook de Kempenaars uit de streek van Turnhout hun slaapgelegenheid te Tienen, waar ze met tien, twintig tegelijk op strozakken overnachtten. Die stijfgewerkte heiboerkens werden door de Tiense straatjeugd bij hun doortocht nageroepen "Kèmpenés, Koekebakkoek, nemt de bessem en slaagt er oep" of "Kempener gebakke peer, uitgedroogde tovereer"...

In elke woning wordt een speciaal patent aangevraagd om gedurende de zondag en de maandag te mogen biertappen; natuurlijk wordt ook overal koffie gezet en worden fietsen op bewaakte plaatsen achtergelaten. De karweien nodig voor het welslagen van de bedevaart werden en worden door de dorplingen uitgevoerd: ieder jaar dezelfden voor hetzelfde werk, bv. het aanvoeren en weghalen van het altaar naar de top het Tiensveld; de dragers van de verschillende beelden, enz. Al deze mensen krijgen vanwege de pastoor een flinke fooi. Maar practisch is er niet te veel te dragen na het vertrek van de processie uit de kerk naar de Tiense heuvel, waar de zegening geschiedt, want al die Kempische en Hollandse bedevaarders betwisten het voorrecht om even hun schouder te mogen zetten onder het beeld van de Zaligmaker of de Moeder Gods.

De voerder van het altaar weet het dusdanig te schikken dat zijn ledige wagen in de buurt blijft staan. hierop nemen, tegen een paar franken drinkgeld, téal van kijklustigen plaats om van hieruit de aantocht te zien van de kleurijke processie en de paardenren omheen de massa, die begint van zohaast de stoet de gebaande wegen verlaten heeft. Ook na de zegen met het Allerheiligste zijn de eindjes kaars een bron van inkomsten voor de voerder die als eerste het altaar betreedt na het vertrek van de priesters.

De aloude geplogenheden van de processie worden nog steeds in ere gehouden, maar vroeger waren de ruiters de boeren uit het dorp, nu zijn ergeen paarden meer en is het een aangeworven riuterclub uit de omtrek. Het aantal bedevaarders is nog steeds ontzaglijk, maar de meeste vreemdelingen komen nu slechts op maandagmorgen toe en zohaast de zegen is gegeven verdwijnen ze terug zoals ze gekomen zijn, zelfs zonder iets te verteren in het dorp. Het zijn slechts de jonge mensen uit de omtrek, Walen en Vlamingen van in een kring van ongeveer 15 kilometer die tot laat in de avond in het dorp blijven om er kermis te vieren, die pas beingt als de processie binnen de kerk is.

De dorpelingen zelf die op zondag en maandag niet weg konden omdat ze binneshuis voor de vreemdelingen moesten zorgen, vieren steeds op dinsdag kermisdag met optocht van de muziek en met herbergbezoek.

Hiermee besluit ik deze bijdrage over Hakendover met de hoop dat het meegedeelde een blijvende getuigenis moge zijn van vele volkse gebruiken die reeds geheel verdwenen zijn,
Contacteer ons nu