Zoek teksten, afbeeldingen, video's

Hallo, deze site is gebouwd door Kris Merckx. Heb je zelf digitale hulp of ondersteuning nodig als particulier, bedrijf, VZW, school of vereniging? Bel me op 0497 94 40 81

Ketters in Hakendover

De 16 een 17 eeeuw waren een bewogen tijd. In het publieke geheugen staat die periode bekend als de tijd van de godsdienstoorlogen. De boekdrukkunst versnelde en verbreedde de verspreiding van reformatorische ideeën ingrijpend. Vanaf 1517 werden Luthers stellingen, preken en traktaten in goedkope pamfletten (Flugschriften) en vertalingen razendsnel herdrukt in centra als Wittenberg, Augsburg, Zürich en Antwerpen, waarna ze via netwerken van drukkers en boekverkopers door heel het Heilige Roomse Rijk en daarbuiten circuleerden. Door standaardisering van tekst, lagere kosten per exemplaar en uitgaven in de volkstaal bereikten reformatorische teksten een ongekend breed lezerspubliek, van stedelijke ambachtslieden tot universiteitskringen. Tegelijk leidde die stroom tot een tegenbeweging met indexen, censuur en katholieke propaganda. Maar ook die gebruikte de pers: de strijd om de publieke opinie werd in drukuitgevochten. De komst van de drukpers zorgde voor een maatschappelijke omwenteling.

Hadden de ideeën van de reformatie ook een weerslag in een katholiek bedevaartsoord als Hakendover? We weten relatief weinig over de periode tussen 1500 en 1595 in Hakendover. Woonden er in het dorp mensen die zichzelf protestant of calvinist noemden?

In het begin hadden pamfletten, disputen en Latijnse traktaten vooral impact bij gestudeerden (theologen, juristen, stadsbestuurders) die de ideeën konden duiden, vertalen en verspreiden. Ze konden er voor of tegen argumenteren. Via hen én via goedkope volkstalige druk (preken, catechismi, liedboekjes, prenten met houtsneden) sijpelden kernpunten door naar brede lagen van de bevolking —ook bij wie niet kon lezen, dankzij publieke voorlezingen, sermoenen, liederen en beelden. In steden (met hogere geletterdheid) ging dit sneller dan op het platteland. Acceptatie door de elite (bv. stadsraad of landsheer) versnelde omslagmomenten. Samengevat: terwijl de intellectuelen discussieerden over de ideeën van de reformatie, was het pas na preken en pamfletten dat de ideeën over een breder publiek werden verspreid en overgenomen.

Een wijdverbreid misverstand is dat parochianen sowieso vlotte kerkgangers waren en elke week misvieringen bijwoonden. Dat was zeker niet het geval. De meeste mensen kenden relatief weinig over de theologische standpunten van de katholieke kerk. In Hakendover was er tot in de eerste helft van de 17 eeeuw geen catechismusonderricht of school. In 1597 schreef deken Rotarius dat er in Hakendover geen school was wegens de militaire onlusten, maar ook in de daaropvolgende jaren kwam daar weinig verandering in. Pas in 1602 leek de pastoor te prediken en de fundamenten van de katholieke godsdienst te onderwijzen. In zijn verslag van 17 april 1608 schreef hij dat de graduales (liederenboeken) oud, vuil en gescheurd waren. De deken gaf de pastoor het advies om er nieuwe te kopen die recent in Antwerpen waren gedrukt. Maar een jaar later was dat nog altijd niet gebeurd. Ook al predikte de pastoor elke zondag, de stellingen van het katholieke geloof konden pas doordringen bij het gewone volk als ze ook effectief aanwezig waren in de zondagsmis. Meer nog, hoe jonger de leerstellingen werden onderwezen, hoe beter. In 1609 beloofde de pastoor om een schoolmeester aan te stellen. Maar een jaar later was dat nog steeds niet gebeurd. De deken vermaande dat dit nu eindelijk moest gebeuren. Ook de liedboeken waren nog steeds niet vervangen in 1613. Er waren enkel oude en versleten gradualen en antifonaria. De kerk was nog niet hersteld van de geleden oorlogsschade en nieuwe liedboeken aanschaffen, behoorde duidelijk niet bij de prioriteit van de pastoor. In 1617 waren ze nog steeds niet vervangen.

De deken maande de pastoor ook aan om vaker te preken. Maar ook op dat vlak kwam de pastoor de daaropvolgende jaren belofte niet na, en hij preekte niet elke zondag. Cathechismusonderricht was er al evenmin. In 1616 vermaande de deken de pastoor nogmaals om wekelijks te preken. Maar de pastoor zei dat het volk moe werd van al dat gepreek en zich daardoor verveelde.

de pastoor zei  dat het volk moe werd
van al dat gepreek en
zich daardoor verveelde.

Niettemin communiceerden ruim 200 parochianen op Pasen tussen 1617 en 1622. In Hakendover woonden geen ketters, zo schreef deken Rotarius. In 1623 steeg het aantal communicanten naar 225 en zonder uitzondering communiceerden die allen op Pasen.

In 1621 maande de deken de pastoor nogmaals aan om catechese te geven, hetzij door dit zelf te doen, hetzij door er iemand voor aan te stellen. Vanaf 1624 werd er eindelijk gevolg aan gegeven. Kapelaan Petrus de Welde, een familielid (mogelijk broer) van kerkmeester Guilielmus de Welde, nam de taak op. Omdat de pastoor zelf te oud en onbekwaam was, preekten voortaan de minderbroeders en karmelieten van Tienen in de kerk van Hakendover.

Erasmus van Hakendover

In de visitatieverslagen van de 17 eeeuw wordt er nergens gemeld dat in Hakendover protestanten of “ketters” verbleven. De visitatieverslagen starten pas vanaf 1598. Voor de periode daarvoor beschikken over geen gegevens over het religieuze leven in de parochie Hakendover. In 1598 meldde de deken dat er één persoon was die bij Pasen niet had gebiecht. Het ging echter niet om een ketter of protestant, maar om de herbergier Erasmus van Vaerlebeeck, die in overspel leefde met de uit Sint-Truiden afkomstige weduwe Maria. In 1604 bleek hij nog altijd in dezelfde “zonde” te leven.

Visitatieverslag van Hakendover, 1598.

We weten niet wie deze Erasmus was en van waar hij afkomstig was. De voornaam Erasmus was echter geen volkse naam (of zelfs een voornaam) en komt in genealogische bronnen uit die periode in Brabant nauwelijks voor. Wie die naam koos of aan zijn kind gaf, dacht daarbij ongetwijfeld aan Desiderius Gerritszoon Erasmus. Desiderius Erasmus (ca. 1466–1536) was een humanist uit Rotterdam en een van de invloedrijkste denkers van de Renaissance. Zijn belangrijkste werk was de Lof der Zotheid en een vertaling van het Griekse Nieuwe Testament. Ook al gaf hij kritiek op de wantoestanden in de kerk, hij bleef katholiek en weigerde de kant van de protestanten te kiezen. Hij werkte in Leuven, Cambridge en Bazel. Desiderius koos net zoals veel van zijn tijdgenoten voor een Latijnse naam door eerst en vooral zijn voornaam te latiniseren. Als familienaamkoos hij de Latijnse versie van het Griekse woord ἐράσμιος (erasmios) dat beminnelijk of geliefd betekent.

Het is opmerkelijk om de naam Erasmus een halve eeuw later te zien opduiken als voornaam van een herbergier in Hakendover. De Tiense deken schreef niet dat het om een ketter ging, maar erg geliefd maakte de herbergier zich niet bij de kerkelijke overheid door zich niet te houden aan de katholieke normen. Ondanks alle vermaningen die hij kreeg en zijn beminnelijke naam, bleef de Hakendoverse Erasmus gewoon zijn ding doen.

De Tiense deken Rotarius uitte zijn ongenoegen over Erasmus van Vaerlebeeck, herbergier te Hakendover.

Geletterd volk uit Hakendover

In een grote stad als Leuven of Antwerpen lag de kans dat je in contact kwam met de ideeën van de reformatie vermoedelijk hoger dan in een plattelandsdorp. Maar dat betekent niet dat de boerenbevolking in een dorp als Hakendover niet vatbaar was voor zo’n ideeën. Hoe minder je wist over de katholieke leerstellingen, hoe minder je ook doorhad dat bepaalde ideeën afweken van de regels.

Wie geschoold en geletterd was, of lange tijd als student in een stad als Leuven verbleef, was op dat vlak “vatbaarder” en mogelijk ook kritischer. Zoals we al eerder zagen, telde Hakendover in de 15 een 16 eeeuw en ook later heel wat universiteitsstudenten die naar Leuven trokken om daar te studeren. We kennen hun namen uit de inschrijvingslijsten van de universiteit, maar over hun ideeën is weinig met zekerheid te zeggen. Niettemin zijn er een paar opmerkelijke figuren die als auteur en uitgever optraden in de grotere steden als Leuven en Antwerpen, waardoor we ook een beeld krijgen van hun opleiding en ideeëngoed.

In het jaar 1473-1474 werd de eerste boekdrukpers geïnstalleerd in Leuven. De nabijheid van de universiteit had tot gevolg dat drukkers uit het buitenland zich in Leuven vestigden. Die nieuwe uitgeverijen waren nauw verweven met de universiteit. Studenten hadden handboeken nodig en professoren grepen de kans aan om hun eigen ideeën en kennis in boeken te verspreiden. Leuven groeide in de beginjaren van de boekdrukkunst uit tot belangrijkste drukkerscentrum van de Lage Landen. In het laatste kwart van de 15e eeuw vestigden negen drukkers zich in Leuven. Onder hen bevonden zich Conrad Braem, Jan Veldener en Jan van Westfalen. In de 16 eeeuw was Dirk Martens de voornaamste drukker van humanistische geschriften, zowel in Leuven als in Antwerpen.

Anthonis Maria Bergaigne was ghesworen boecprinterte Leuven vanaf ca. 1550 tot 1563. Hij was een Italiaan die zich in de Nederlanden vestigde met de bedoeling om als drukker en uitgever aan de slag te gaan. Over zijn precieze herkomst bestaat onzekerheid. Sommige bronnen noemen Asti (Piemont), andere vermelden de streek van Bergamo. Hij zou de grootvader zijn geweest van Joseph de Bergaigne (1588-1647) die later bisschop van ’s-Hertogenbosch en aartsbisschop van Kamerijk werd. Anthonis bracht zijn drukkerij onder in het pand “in den Lupaert” in de Borchstraat te Leuven. Ook op zijn drukkersteken stond een “lopende luipaard”. Bergaigne was niet de eerste de beste drukker. Verschillende drukken zijn van hem bekend. Hij drukte onder meer “Een tractaet van den caetspele” in 1551 en in de daarop volgende jaren diverse juridische en theologische werken.

De Leuvense Bijbel - "Den Gheheelen Bijbel", uitgegeven bij Bartholomeus van Crane, 

Het ontluikende protestantisme bracht met zich mee dat men ook de bijbel vertaalde in de volkstaal. De kerk had vertalingen van de bijbel nooit gestimuleerd. In 1548 publiceerde Nicolaas van Winghe een vertaling die bekend staat als de Leuvense Bijbel. Van Winghe gaf aan dat zijn vertaling was opgesteld in die ghemeyn Brabantsche tale, alsmen die useert te Loeven. Enkele jaren na het verschijnen veranderden de Leuvense theologen van mening. Ze adviseerden de keizer om toch maar een verbod uit te vaardigen op vertalingen van de bijbel in de volkstaal. Desondanks zorgde Bergaigne voor een eerste herdruk van de Leuvense Bijbel (gheheelen bijbel) in 1553. Ook in Antwerpen verschenen nog herdrukken bij drukker Hans de Laet. In Keulen verschenen in 1565 en 1566 geïllustreerde versies. Niemand minder dan Christoffel Plantijn verzorgde drie jaar na Bergaigne een herdruk.

Bergaigne was m.a.w. een voorname en belangrijke drukker uit de beginjaren van de boekdrukkunst. Jacob Goijvaerts van Hakendevel koos hem als uitgever zoo zijn boek in 1560. Het ging om een tractaat over de pest met als titel “Een tractaet van die contagieuse sickte der pestilentie, ghedeelt in twee deelen. Het ierste van die cure preservative. Het tweede van die cure curative, ... “Het eerste deel ging over het voorkomen van de pest, het tweede deel over het behandelen van de ziekte zelf. Lange tijd bevond zich nog een exemplaar van dit werk in de bibliotheek van Amsterdam, maar het raakte verloren. De schrijfwijze “Hakendevel” in de naam van de auteur, komt meermaals voor in bronnen over Hakendover uit die tijd.

De auteur, Jacobus Godefridi van Hakendover, was van “Hakendover van Loeven gheboren”. Zijn herkomst lag in Hakendover, maar zelf zou hij in Leuven zijn geboren. Hij noemde zichzelf chirurgijn. Anders dan wat je zou verwachten, leerde je dat vak niet aan de universiteit. De Leuvense universiteit had in de 16 eeeuw een medische faculteit, maar daar studeerden artsen. Chirurgijns (barbier-chirurgijns) kregen geen universitaire vorming. Ze leerden het vak via een leercontract bij een meester, vaak in een gilde. Wie het vak wilde leren, sloot een leercontract met een erkend meester en liet zich inschrijven. Na meerdere jaren leertijd legde men examen af, betaalde gildegelden en kon men zich als meester vestigen.

De stadschirurgijns waren in een gilde verenigd. Toetreden gebeurde pas nadat de leerling zijn leertijd had voltooid en slaagde voor een examen voor een commissie van gildemeesters, vaak aangevuld met een stadsmeester. Wie slaagde werd als gezworen meester-chirurgijn erkend en mocht toetreden tot het gilde en zich vestigen in de stad waar het examen plaatsvond. De examens waren dus plaatsgebonden en beperkten de bewegingsvrijheid. Andere steden hanteerden eigen klemtonen en voorwaarden. Stedelijke diploma’s voor chirurgijns en barbiers golden uitsluitend lokaal. Jan Palfijn illustreerde dat. Hij woonde en werkte in Kortrijk, Gent en Ieper en moest in elke stad opnieuw opleiding volgen en examen afleggen voordat hij zich er als volwaardig chirurgijn kon vestigen. Jacob Godevaerts van Hakendover was “Chyrurgijn ghegaegert der vermaerder Coopstadt van Antwerpen”, wat wil zeggen dat hij een “gage” ontving van de stad Antwerpen. Indien hij echter al eerder chirurgijn was in Leuven, dan had hij dus naar alle waarschijnlijkheid, net zoals Palfijn, twee keer een opleiding moeten volgen en examen moeten afleggen.

Uit stedelijke archieven zijn examenvragen voor leerling-chirurgijns bewaard gebleven. Het instrumentarium was kostbaar. Voor grote ingrepen leende de chirurgijn materiaal van het gilde. Eenvoudiger gereedschap zoals aderlaatmesjes, bekkens om bloed op te vangen en klisteerspuiten kocht hij zelf. Wie het beroep met dat van barbier combineerde had ook scheermessen, kammen en scharen. De meeste gildes bezaten een kleine bibliotheek met medische werken, kruidenboeken en anatomische atlassen. Vaak stond er ook een bescheiden apothekerskast om beginnende leerlingen in te wijden in de kruidgeneeskunde.

Eeuwenlang bleef de geneeskunde amper gereglementeerd. In diverse steden vroegen beoefenaars, vooral artsen, aan de magistraat om lokale regels. Vanaf de 17 eeeuw kregen zij gehoor. Stedelijke magistraten richtten geleidelijk een collegium medicum op dat de uitoefening van de geneeskunde in de stad en het omringende platteland controleerde. In de Zuidelijke Nederlanden ontstond het eerste medisch college in Antwerpen op 28 april 1620 en het werkte pas echt vanaf 1659. In Brussel en Antwerpen zetelden enkel geneesheren in het college. In andere steden maakten ook chirurgijns en apothekers er deel van uit.

Niet iedereen in het medische veld was tevreden met deze controle. De colleges wilden onbekwamen weren en brachten toezicht op de praktijk. Wie als arts, chirurgijn, rondreizend operateur of ander beoefenaar in de stad wilde werken diende eerst een verzoek in bij de wethouders. Die vroegen advies aan het collegium medicum en volgden dat meestal. Bij een positief advies werd men ingeschreven in het register van het college en betaalde men een vaste som als intredegeld.

Een chirurgijn behandelde uitwendige kwalen en voerde handwerk uit dat vakmanschap vroeg. Hij verzorgde wonden en zweren en hechtte snijwonden en brandde bloedende vaten dicht om het bloeden te stoppen. Hij bracht gebroken botten weer in de juiste stand en legde spalken aan en hij voerde amputaties uit als een lidmaat niet te redden was. Hij deed aderlatingen en plaatste verwarmde glazen op de huid om onderdruk te creëren. Hij verwijderde blaasstenen en trok tanden. Zijn werk richtte zich op kleine en middengrote ingrepen aan de oppervlakte van het lichaam.

Handboeken over geneeskunde en besmettelijke ziektes zoals de pest werden vanaf de 16 eeeuw voor het grote publiek gedrukt. Zulke boeken bevatten heel vaak volksrecepten en kwakzalverij. Zaken zoals astrologie die nu als niet-wetenschappelijk worden beschouwd, waren toen ook in wetenschappelijke kringen wijd verspreid en aanvaard. Zo was Jehan Thibault zowel astroloog als geneesheer van de keizer. 

Van Leuven naar Antwerpen

Elf jaar na de eerste uitgave te Leuven verscheen de vermeerderde tweede druk in Antwerpen. Jacob Godevaerts van Hakendover schreef als chirurgijn een boek over de pest. Net zoals in onze tijd was de status of bekendheid van een auteur van belang om de verkoopcijfers te doen stijgen. Jacob vertelde in de titel van zijn boek dat hij zich baseerde op gezagheddende geneesheren uit verleden en heden.  

“Een boecxken van die furieuse ende quade contagieuse sieckte der Pestilentie, in twee deelen oft tractaten ghedyelt, ghecopuleert ende gemaect door Jacobum Godefridi Hakendover van Loeven gheboren, Chyrurgijn ghegaegert der vermaerder Coopstadt van Antwerpen, ende nu van nieus gheaugmenteert ende ghecorrigeert van den voorschreven Aucteur, met approbatie van diversche Aucteurs, als Hipocrates, Galenus, Avicenna, Rasis, Cornelius Celus, ende meer andere. Anno 1571. Het eerste deel van die Cure preservative allen Menschen seer profijtelijck. Het tweede van die Cure curative allen Barbiers, Chyrurgijns, ende experte Hantwerckers in Chyrurgia, profijtelijck waer af het inhoult staet op dander sijde. Antwerpen, Jan van Ghelen.”
De tweede Antwerpse uitgave van het boek van Jacobus Godefridi (Godevaerts) van Hakendover.

Net zoals de eerste druk bestond het boek uit twee delen: een preventief deel dat alle mensen hielp om besmetting te voorkomen en een curatief deel dat bedoeld was voor barbiers, chirurgijns en andere ervaren vaklieden. De uitgave werd aangekondigd als nieuw aangevuld en gecorrigeerd en verwees naar gezaghebbende bronnen zoals Hippocrates, Galenus, Avicenna, Rhazes en Celsus. De drukker was Jan II van Ghelen. De titel prees Antwerpen als vermaarde koopstad, wat de wervende toon van de uitgave onderstreepte.

Het boek van Jacobus Godefridi van Hakendover

De keuze voor een handboek over de pest lag voor de hand. Leuven en Antwerpen kenden herhaaldelijk pestgolven in de 16 een 17 eeeuw. In Leuven gold de uitbraak van 1578 tot 1579 als de zwaarste, met overvolle kerkhoven en massagraven, zoals een ooggetuige het toen beschreef. 

Tot Loven begint een wonderlycke ende een vreeselycke sterfte van de peste, in augusto 1578, duerende tot inden mey 1579, alswanneer zy begost te cesseren, als hier naer volght. (...) Die doode menschen en siecken laghen achter straeten met grooten ghetalle. Inder nacht werden de dooden op de kerckhoven ghebraght, d'een naeckt, d'ander in syn cleederen, d'ander in kisten, dat de persoonen, daer toe ghestelt, die niet konden begraven, hoo wel die met grooten ghetalle in groote cuylen tsamen gheworpen waren, dat men die smorghens inden dach daer noch vont ligghen, tot vele int ghetalle, en principalyck altyt int breken van de mane en alst mistich weder was. Die kerckhoven waren te cleyn om plaetse te vinden voor cuylen te maken. (...)

Van 1634 tot 1636 trof de pest Leuven opnieuw hard en traden de kapucijnen zichtbaar op in de zorg. Antwerpen werd zwaar getroffen in 1571 met uitzonderlijk hoge sterfte volgens tijdgenoten en de ziekte laaide weer op in 1574 en 1578. De begraafplaatsen barstten er in 1582 uit hun voegen. Een volgende zware Antwerpse episode viel in 1623 tot 1625, toen honderden huizen wegens besmetting werden verzegeld. 

De pest in de Leuvense Sint-Jacobsparochie in 1578, M Leuven, olie op doek, inv. S/378/O - CC0, foto Dominique Provoost

Drukkers in Leuven en Antwerpen

Rond 1500 stond Leuven een stap voor op Antwerpen op het vlak van de boekdrukkunst. De eerste helft van de 16 eeeuw steeg het belang van Antwerpen op dat vlak. Terwijl er in Leuven aanvankelijk 9 drukkers aan de slag waren, daalde hun aantal tot 7. In Antwerpen steeg het aantal drukkerijen plots van 12 naar 56. In de 15 eeeuw waren in Antwerpen de volgende drukkers actief: Matthijs van der Goes, Dirk Martens, Gerard en Nicolaas Leeu, Nicolaas Kessler, Govert Back, Adriaan van Liesvelt, Roeland van den Dorpe, Henric de Lettersnider, Hendrik (H.) Eckert van Homberch, Adriaan van Berghen en Michiel Hillen van Hoochstraten. In de 16 eeeuw zetten van deze groep vooral Martens, Back, de weduwe R. van den Dorpe, H. de Lettersnider, H. Eckert van Homberch, Adriaan van Beylen en opnieuw Michiel Hillen van Hoochstraten hun bedrijf voort. De andere drukkers waren nieuwkomers, vaak afkomstig uit andere steden of uit het buitenland, die naar Antwerpen kwamen. Van de 1202 bekende drukken uit die periode in Antwerpen, verschenen er 614 in het Latijn. Maar 499 boeken waren al geschreven en gedrukt in het “Nederlands”.

Vanaf de jaren 1520 gold in de Nederlanden dat drukken of invoeren van boeken alleen mocht na voorafgaande keuring: stedelijke en gewestelijke autoriteiten werkten hierbij samen met de theologische faculteit van Leuven. Vooral vanaf 1529 moesten drukkers teksten vóór publicatie voorleggen aan zowel kerkelijke als wereldlijke censors. Wie dat negeerde, riskeerde zware straffen en verbeurdverklaring van bezit. In 1546 verplichtte Karel V bovendien dat de verleende privilege-tekst en de goedkeuring expliciet in het boek zelf werden opgenomen, en verscheen de Leuvense index met verboden titels. Boekverkopers moesten lijsten met hun voorraad én met verboden boeken zichtbaar hebben. Winkels werden periodiek geïnspecteerd en ingevoerde balen mochten enkel in aanwezigheid van beambten worden geopend, op boete van honderd carolusgulden. Het louter bezitten of lezen van “ketterse” werken kon tot een ketterijproces leiden: wie herriep, kreeg doorgaans een “mildere” executie (mannen met het zwaard, vrouwen levend begraven). Hardnekkigen of recidivisten eindigden op de brandstapel. De meeste drukkers kozen daarop voor grote voorzichtigheid. 

Drukker Jan II van Ghelen waar het boek van Jacob van de drukpersen rolde, was de zoon van Jan I van Ghelen. Zijn vader was afkomstig uit een drukkersgeslacht en van 1519 tot ca. 1540 actief in de huidige Begijnenstraat te Antwerpen. Hij werkte met een aantal andere drukkers samen, waaronder Govaert van der Haeghen en Willem Vorsterman. Zij drukten hoofdzakelijk godsdienstige werken. Op 26 januari 1549 verkocht hij zijn drukkerij aan zoon Jan (II). Die had als leerjongen de stiel geleerd bij collega Michiel Hillen van Hoochstraten. In 1544 trad hij toe tot het Sint-Lucasgilde. Kort daarop huwde hij Katlijne Huckel. Een jaar later volgde de geboorte van hun zoon Jan (III). Nadat hij de werkplaats van zijn vader had overgenomen, gebruikte hij de naam Jan van Ghelen de Jonge. In de jaren zeventig van de 16 eeeuw fungeerde hij als deken van de Antwerpse drukkers en trad hij in die hoedanigheid op in diverse rechtszaken en notariële akten. Tussen 1546 en 1580 bracht hij ongeveer zestig edities in druk, overwegend Nederlandstalig, waaronder het werk van Jacob Godevaerts van Hakendover. Het ging veelal om populaire genres: volksboeken, kronieken, prognosticaties, medische werken en religieus getinte publicaties. Van 1550 tot 1588 was zijn drukkerij gevestigd aan de Lombaerdeveste, onder het uithangteken In den Witten Hasewint. Uiteindelijk droeg hij de zaak over aan de oudste van zijn drie kinderen.

Jan van Ghelen III verscheen in 1578 voor het eerst als drukker in een privilegeverklaring en huwde in 1580 Judith Bouts. Aanvankelijk werkte hij aan de Camerpoortbrugghe, in het huis In den Schilt van Basel. Vanaf 1584 drukte hij in het ouderlijk pand In den Witten Hasewintaan de Lombaerdeveste. Tot 1596 gaf hij, in het spoor van zijn vader, tal van volksboeken, populair-wetenschappelijke traktaatjes en prognosticaties uit, naast een reeks plakkaten over de actuele politieke ontwikkelingen in de Nederlanden. De neergang van Antwerpen na 1585 trof ook hem: in het laatste decennium van de 16 eeeuw belandde hij financieel in zwaar weer. Na de inbeslagname van zijn goederen in 1596 vertrok hij twee jaar later naar Maastricht, waar hij rond 1600 het drukken hervatte, opnieuw onder de naam In den Witten Hasewint aan de Swolfstraet. Al spoedig liep hij er tegen problemen aan omdat hij een boek zonder toestemming van de auteur had gedrukt. De volledige oplage werd in beslag genomen, met nieuwe financiële moeilijkheden tot gevolg. In 1604 verliet hij Maastricht en trok naar Rotterdam, waar hij twee jaar later opnieuw begon te drukken, wederom In den Witten Hasewint, in de Hoogstraat. Jan van Ghelen III overleed in 1610. Eerst zette zijn weduwe de drukkerij voort. Vanaf 1614 nam zijn zoon Pieter het over, die minstens tot 1632 als drukker actief bleef. Het verhaal van Jan van Ghelen III toont wat overeenkomsten met dat van de calvinist Jacob van Hakendover en diens zoon, dat we later zullen bespreken.

Nostradamus van Hakendover

Jacob Godevaerts van Hakendover publiceerde ook almanakken. Een almanak was een klein handzaam boekje in de volkstaal. Tot het einde van de 15 eeeuw bevatten almanakken naast een kalender ook medische, tijrekenkundige en astronomische informatie. In de 16 eeeuw lag meer nadruk op astrologische voorspellingen, waardoor ze in hun titel ook vaak het woord “prognosticatie” opnamen. Vanaf de 17 eeeuw werden de almanakboekjes verder aangevuld met praktisch bruikbare elementen en vermaak. Elke stad had zijn eigen uren en kalender. Daarom werden in zo goed als alle grote steden wel almanakken gedrukt. Naast een kalender bevatten de boekjes dus voorspellingen of prognosticaties voor het komende jaar. Het ging om berekenbare zaken zoals zons- en maansverduisteringen, de maancycli, de waterstanden… of gewoon een overzicht van de patroonheiligen per dag en een lijst van jaarmarkten. 

Almanak van Jacobum Godefridi Hakendover - 1571

Voor zover bekend publiceerde Jacobus Godefridi van Hakendover twee almanakken. Voor het jaar 1564 verscheen zijn  “Prognosticatie vanden jaer M.D.LXIIII. Waer in verhaelt worden de dinghen die inden voerleden jaere geschiet zijn”  bij boekdrukker Jan van der Loe in Antwerpen. Een jaar later verscheen bij dezelfde uitgever  “Prognosticatie vanden jare M.CCCCC. ende LXV ghecalculeert op onsen meridiaen ende hoechte van LI. Antwerpen” . De Hendrik Conscience Erfgoedbibliotheek te Antwerpen bewaart een exemplaar van de uitgave van 1571. Het boek bevat weersvoorspellingen voor het ganse jaar. 

Het boek bevat een aantal voorspellingen voor elk jaargetijde. Hij voorspelde zelfs het weer voor het ganse jaar. 

Net zoals op zijn pestboek vermeldt de almanak Jacob als "Cirurgijn ghegageert der voorschreven stadt"aangevuld met  "der conste der astronomien liefhebber".

De almanak en prognosticatie van Henrick Hakendivel

Uit 1580 is een exemplaar bewaard gebleven van “Almanach ende prognosticatie vanden jare ons Heeren Iesu Christi M.D.LXXX. Ghecalculeert op den horizontem van de vermaerde coopstat van Antwerpen.” geschreven door Henrick Hakendivel.De auteur staat op het eerste blad beschreven als zijnde “doctoor/medecijn ende astrologijn binnen der selver stadt”.Jan van der Loe was ondertussen overleden, maar zijn weduwe zette nu zelf het drukkersvak van haar overleden man verder, en gaf het boek van Henrick uit. De kalender van Henrick was een praktisch bruikbaar boekje. In het kalendergedeelte was naast de opsomming van de dagen telkens een leeg blad voorzien waarop de koper zijn eigen notities kan neerschrijven. We weten niet wie Henrick precies was, maar mogelijk was hij de zoon van Jacob Godefridi of een naast familielid. 

In het overzicht van de jaarmarkten en paardenmarkten vermeldt hij opmerkelijk genoeg zijn dorp van herkomst, Hakendover. Naar hij schreef vond er op 3 januari 1580 een jaarmarkt plaats in Hakendover. 

In het jaar van uitgave 1580 stond Antwerpen onder een calvinistisch bestuur. Was de genoemde Jacob Godefridi van Hakendover dezelfde Jacob van Hakendover die vijf jaar als calvinist naar Delft vluchtte?

Lees het verhaal van Jacob van Hakendover:  https://www.hakendover.be/nl/lees/1231/van-antwerpen-naar-delft

Het boek bevat een vermelding van de jaarmarkt van Hakendover op 3 januari 1580
Contacteer ons nu